home

B&G

  • B&G
  • kinderen
  • kleinkinderen

auto

  • TOY
  • BusCA
  • TOY in 't zand
  • toyota hzj78
  • hzj extreem
  • ons bussie
  • keuze toyota

voorbereiding

  • website
  • kamperen
  • gezondheid
  • documenten
  • proviand
  • gereedschap
  • kaarten en boeken
  • apparatuur
  • gps

FAQ

  • algemeen
  • tips
  • bandenspanning
  • afrika
  • rusland/mongoliĆ«
  • australiĆ«

reizen

gastenboek

  • lezen
  • toevoegen
Africa 2005
::
tanzania
  • algemeen
  • prologue
  • europe
  • tunisia
  • libya
  • egypt 1
  • egypt 2
  • sudan
  • ethiopia 1
  • ethiopia 2
  • kenya
  • uganda 1
  • uganda 2
  • rwanda
  • tanzania
  • malawi
  • mozambique
  • zambia
  • botswana 1
  • namibia 1
  • namibia 2
  • botswana 2
  • south africa
::
reisverslag
Africa 2005 :: tanzania :: reisverslag

 

 

Vrijdag, 1 juli 2005 – Gastvrijheid op een missiepost

 

Net als aan de Rwandese grens, gaan ook hier de formaliteiten vlot. De geldwisselaars dringen zich al snel op, maar we houden ze af. We wisselen de Rwandese franken voor Tanzaniaanse shillingen met een Amerikaanse backpacker die naar Rwanda gaat. Zo hebben we beiden een gunstiger koers.

 

Om ‘n uur of een rijden we Tanzania in. Het is frappant, hoe anders de omgeving ineens is. Het heuvelachtige savannelandschap is nergens bebouwd maar begroeid met struiken en gelig gras. We zien langs het asfalt ook olifantenhopen. We realiseren ons, dat het eerste deel van de route door het Burigi Game Reserve loopt.

Zowel dit park als het Parc National de l’Akagera, aan de Rwandese kant van de grens, zijn erg aangetast door de vluchtelingenstroom vanuit Rwanda en Burundi. Vanuit de vluchtelingenkampen in het grens-gebied stroopten de mensen het wild, kapten de bomen en bebouwden ze de grond. Het Akagera-park in Rwanda heeft men daardoor zelfs moeten verkleinen. In het noordelijke deel wonen nu de inmiddels teruggekeerde vluchtelingen.

De olifantenhoop doet ons speuren naar wild. Tevergeefs, we zien niets. Wel vinden we een mooie lunchplek ergens achter een heuvel in struiken en gras, onzichtbaar vanaf de weg. We zijn voorzichtig, want het heet dat op deze route nog wel eens berovingen voorkomen. Na een kilometer of 80 slaan we af in noordelijke richting op een prachtige weg van rode aarde (morram). Ook hier zien we overal rook uit het landschap omhoog kringelen. Later horen we dat de mensen het gras verbranden, wat soms flink uit de hand loopt.

 

In Biharamulo moet een mooi Guesthouse zijn en als we een bord zien waarop voor ons leesbaar de plaatsnaam staat, denken we dat we er zijn. We vragen naar het Guesthouse. Het resultaat is dat we kennis maken met de Finse Maria, die zendelinge is voor de Pinkstergemeente. We zijn beland op een missiepost. Er is niets op tegen om er te blijven, dus installeren we TOY tussen de bomen bij het gastenhuis. We krijgen de sleutel, zodat we toilet, douche en keuken kunnen gebruiken. En zo eten we een heerlijke room-kaas-pasta met komkommersalade, nemen we een frisse, want koude, douche en zitten we op de veranda van het gastenhuis te genieten van de rust van de plek.

 

Zaterdag, 2 juli 2005 – Weeshuis & ziekenhuis, fietsende vrouwen & goudmannen

 

Om 9 uur hebben we met Maria afgesproken. We doen een rondje missiepost. Naast leslokalen, slaapzalen, conferentieruimtes, keukens, koeienstallen, kippenhok, enzovoort, is er een weeshuis. Hier worden moederloze baby’s ondergebracht. In principe is de opvang van tijdelijke aard. De kinderen gaan pas weer terug naar het gezin als een familielid op de missiepost geleerd heeft voor het kindje te zorgen. Ze, meestal gaat het om een ouder zusje, leert er van alles over babyverzorging, hygiëne, voeding, koken, enz.

Maria vertelt dat er veel tijd en energie is gestoken in het overbrengen van kennis en vaardigheden aan de lokale bevolking. Dat is ook te zien bij een bouwproject op het terrein. Gerard is onder de indruk van de precisie waarmee men bezig is. Maria is nog als enige blanke op de missiepost en functioneert vooral als intermediair tussen de mensen op de missiepost en (de financiers in) Finland. De rest wordt helemaal door Tanzanianen gedraaid.

In Maria’s huis drinken we koffie met (door de Zweedse Angelika) vers gebakken koekjes. Als dochter van een zendelingenechtpaar heeft Maria het grootst deel van haar leven in Afrika doorgebracht. Ze heeft zelfs een groot deel van haar kinderjaren op deze missiepost gewoond. Verknocht als ze is aan Afrika, wil ze het liefst haar oude dag hier doorbrengen en er begraven te worden.

 

Laat in de morgen vertrekken we naar Biharamulo-town. Het ligt een kilometer of tien noordwaarts weten we nu. Van Maria hebben we gehoord, dat in het ziekenhuis daar twee Nederlandse meiden een artsenstage lopen. Het lijkt ons leuk om ze te gaan bezoeken.

Nynke (Postma) en Nicolien (Ploos van Amstel) zijn totaal verrast en heel enthousiast dat we zomaar binnenvallen in hun huis op het ziekenhuisterrein. In ons kielzog volgt echter nog meer bezoek. Een dronken en bedelende vrouw die we van ons afgeschud dachten te hebben, overvalt nu Nynke met een zielig verhaal. En vervolgens komt ook nog eens de portier van het ziekenhuis, die ons de weg had gewezen, binnenvallen. Met z’n gsm in de hand ploft hij op een stoel neer, duidelijk niet van plan voorlopig weg te gaan. Als subtiele pogingen niet werken wordt de man in niet mis te verstane woorden de deur gewezen. En als ook de dronken vrouw nog eens terug komt zet Gerard haar letterlijk buiten het hek. Nynke en Nicolien hebben in geen tijden zoveel volk aan de deur gehad. En dan komen we eindelijk toe aan een bakkie en kunnen we elkaar vertellen hoe wij en zij daar zo zijn aangeland. Bijzonder is het. Vier mensen van zo verschillende leeftijd, achtergrond, toekomstplannen en motivatie daar samen aan de koffie in Afrika. 

 

Na de lunch in het dorp leiden Nynke en Nicolien ons rond in het ziekenhuis. Als arts valt hier een heleboel te leren in omstandigheden die behoorlijk anders zijn dan in Nederland. Sommige patiënten zien tijdens de rondleiding een mooie kans om de dokter te consulteren. Tja, en wat doe je dan als beginnend arts?

We zijn onder de indruk van de laatste ziekenhuiszaal. Aids-patiënten en andere mensen zonder enig behandelperspectief wachten hier apathisch op hun einde.

Maar ook genieten we ervan hoe twee jonge Nederlandse vrouwen hier zijn om te leren en ook van betekenis zijn voor de mensen in dit afgelegen stukje Tanzania.

 

Ze zwaaien ons na als we op de hobbelige morramroad uit hun zicht verdwijnen. Vanaf Biharamulo rijden we in oostelijke richting door heuvelachtig savannelandschap. Naarmate we Geita naderen, is er meer volk onderweg te voet en op de fiets. En wat we in de eerste dagen nog als bijzonderheid zagen, blijkt nu een alledaags beeld! Namelijk, dat van de fietsende vrouw! Die vrouw in Oeganda met kip en kind op de fiets gold als onze heldin. Maar het doet ons goed te zien dat de vrouw in Tanzania in beweging is. De emancipatie van de (fietsende) vrouw is echter nog niet zover dat de mannenfiets verruild kan worden voor een damesmodelletje. Het op en afstappen met lange rokken en omslagdoeken is voorlopig dan ook een hele kunst.

 

Er rijden ook meer auto’s en de piste is dusdanig stoffig, dat bij iedere ontmoeting met een auto het zicht enige tijd totaal weg is. Het maakt het rijden natuurlijk wel spannender. In Geita tanken we voordat we op het terrein van het Lake View Hotel een plekkie voor de nacht vinden. De baas van het spul, Captain (want “helikopterpiloot in overheidsdienst”) William vindt die TOY op zijn terrein wel interessant. Hij laat het aan ons over het tarief voor de overnachting vast te stellen.

 

Op het terras genieten we van een boek, de wijn en een voortreffelijke maaltijd. Na het eten schuiven twee mannen bij ons aan voor een babbel. Het zijn de mannen die rondrijden in met “d” gemerkte Toyota’s met vlaggetjes op een lange antenne, zoals op kinderfietsjes. Ze werken voor de goudmijnen hier in de omgeving, waar volgens hen zoveel goud ligt, dat als er naar water wordt geboord men steeds op een goudader stuit. Dat is nog eens pech hebben natuurlijk… De Amerikaanse Tom (Friend “een naam om niet te vergeten”) en de Australische Peter hebben overal in de wereld gewerkt. Stoere mannen zijn het met een hoop verhalen. Ons soort reizen lijkt ze wel wat, maar ja “Moeder de vrouw hè….!”. Het even kletsen duurt een paar uur en twee whisky’s langer dan gedacht.

We slapen dan ook lekker boven in TOY met uitzicht op het meer, tenminste als we er oog voor gehad zouden hebben …

 

Zondag, 3 juli / donderdag, 7 juli 2005 – Tilapia, teppanyaki en een bevas’verrassing

 

Na een rustig ontbijtje gaan we verder op de soms behoorlijk hobbelige weg. Het is te zien dat het zondag is. Mooi en fleurig aangekleed voor kerk- of familiebezoek wandelt men of zitten mensen in groepjes bij elkaar. Er gaat een grote rust uit van dat beeld. Geen gejakker, geren of gedoe. 

 

Rond de middag zijn we bij het veer in Busisi. Na een half uur varen over de Golf van Mwanza, een uitstulping van het Lake Victoria, manoeuvreren we tussen de grote vrachtwagens door op weg naar onze volgende stop, Mwanza. Na een goede piste volgt een even goede asfaltweg en we zijn snel in de op een (Dar es Salaam) na grootste stad van het land. Maar het heeft veel meer weg van een tot provinciestadje uitgegroeid dorp.

 

De volgens de gids “mooi gelegen” New Blue Campsite blijkt verdwenen. Maar we vinden een prima stek op het grasveld van de Jachtclub. We kijken uit over de baai. Rechts van ons is de nederige Jachtclub met dito bar&restaurant en links kijken we uit op Hotel Tilapia. En dat is mooi, want Tilapia geldt als het beste op hotel- en restaurantgebied in Mwanza . We hebben er wel zin in om ons tegoed te doen aan de Thaise, Indische, Japanse, Continentaalse (= Europees = Italiaans) en Afrikaanse keuken.

Ook al biedt de Jachtclub ons slechts een koude douche zonder deur en w.c.’s met natte vloeren, wij zitten wel goed. Want who cares met Tilapia aan onze zijde? We springen over een geultje, klimmen over het hek en al snel zijn we er kind aan huis. Van de prima internetfaciliteit maken we zo vaak gebruik, dat we korting krijgen. Zo komen we deze paar dagen prima door en wordt ook de site bijgewerkt. We leggen TOY aan de elektra zodat de accu weer eens goed gevoed wordt.

En wat kan mailen en bellen met het thuisfront toch bijzondere verrassingen opleveren. Denk je van Bevas alles over hun huwelijksreis in Australië te gaan horen, vertellen ze dat ons vierde kleinkind, de enige echte bevasbeeb, aanstaande is! We zijn overdonderd en bellen nog eens met een betere verbinding en we hebben het echt goed begrepen. Feest dus en we vieren het met een super fles wijn…

 

In de stad wandelen we rond en zoeken naar een bank waar een visa-kaart accepterende atm (geldautomaat) is. Die vinden we niet, maar er zijn meer manieren om geld te wisselen, gelukkig.

De temperatuur wordt flink getemperd door een stevige wind die vanaf het meer waait. Dat is heerlijk en goed werk- en slaapbaar. Op donderdag verhuizen we TOY, want op ons grasveld wordt alles in gereedheid gebracht voor een bruiloft. En om daar de hele avond en halve nacht tussen te staan wordt ons vanwege de herrie ten sterkste afgeraden. 

                       

Vrijdag, 8 juli 2005 – De Serengeti en een bijna-kill-ervaring

 

We verlaten Mwanza langs met enorme rotsblokken bezaaide hellingen met daar tussendoor het lange gele gras, kale struiken en de grote groene (bol)bomen. Direct na het verlaten van de stad verschijnen de rood lemen hutten met strodaken weer. Bij de dorpjes zijn overal kraampjes met fruit, voornamelijk bananen, soms sinaasappels en mandarijnen en steeds weer de keurige stapeltjes tomaten. Bij een van de van houten staketsels gebouwde kraampjes kopen we de nodige vitamines in.

 

Om een uur of elf hebben we bij de Gate aan de west-corridor van de Serengeti N.P. het toegangs- en kampeergeld betaald. Voor 130 dollar gaat het grote en beroemde Nationale Park de Serengeti voor ons open. We genieten van het savannelandschap waar we aanvankelijk niet veel wild zien. Tot er ineens grote groepen giraffen, zebra’s, impala’s en ook steeds meer gnoes (wildebeesten) om ons heen zijn.
We slaan af naar de Grumetiriver en we stuiten op duizenden langs de droge rivier trekkende gnoes. Als we dan ook nog eens een hele grote olifantenfamilie met veel kalveren zien, kan Serengeti al niet meer stuk. Prachtig! En nog een tweede keer zien we zo’n eindeloos lange optocht van migrerende wildebeesten.

Onderweg naar de Seronero Campsite staan we nog even, in een groot gezelschap auto’s, te kijken naar een paar krokodillen en ooievaars. Verwend als we ondertussen zijn, blijven we niet lang. Vlakbij de camping zien we weer een verzameling gamedrivende auto’s. En dan ontrolt zich een schitterend schouwspel. Twee luipaarden besluipen een groep zebra’s en impala’s. Zowel de toeschouwers als de luipaarden staan onder spanning. De grazende snacks echter zijn zich van geen kwaad bewust. En dan zetten onze katten de aanval in, die  ….. mislukt. Helaas? Het hangt er maar van af van welke kant je het bekijkt natuurlijk.

De kuddes reageren onmiddellijk en stuiven weg. Her en der laten de zebra’s hun waarschuwingskreten horen. En verderop staan ze gespannen te zoeken naar waar het gevaar gebleven is. De “kill” zagen we niet, maar wel het voortraject en dat was bijzonder genoeg.

 

 

Tevreden installeren we ons wat later op de campsite, die vol staat met de kleine tentjes van mensen die “georganiseerd” in het park op safari zijn. Er is ook, het zal niet waar zijn, een Nederlands stel (Ans & Willie) dat even poolshoogte komt nemen. Een Nederlands kenteken is hier nu eenmaal niet alledaags.

Na de pasta, tomatensalade en wijn kruipen we in ons bed en kijken uit over het veld met de tentjes en de olielampjes.

 

Zaterdag, 9 juli 2005 – Kale koppen, Ngogorongorokrater en de negende onzichtbaar op de helling

 

In het bezoekerscentrum treffen we een enthousiaste ranger, Fred. Wij hadden graag de oversteek van de gnoes en zebra’s over de Mara-river willen zien. Maar de migratie is laat dit jaar en nog niet gearriveerd bij de ver in het noorden liggende Mara. Maar, houdt Fred ons voor, we moeten een keer komen als de dieren op de vlakten in het zuidelijk deel van het park zijn. Dat is het mooiste dat hij ooit gezien heeft. Vanaf februari komen de wildebeesten daar om te kalven. Zover het oog reikt zijn er dan gnoes met hun jongen en natuurlijk zijn er ook de roofdieren. We spreken af, dat we (ooit) een keer terug komen om dat spektakel te zien. En Fred belooft dat hij ons dan op de mooiste plekken zal brengen. Nu is er niet veel meer te zien dan we al gezien hebben en hij wijst ons een route die we het beste kunnen rijden op weg naar de uitgang aan de Ngorogorokant.

 

We rijden door eindeloze vlakten met her en der de beroemde kopjes (rotsblokformaties), waarop eigenlijk de leeuwen horen te liggen zoals op alle foto’s van het park te zien is. Nu ff niet dus. Dan nemen we maar een bakkie met uitzicht op de kale koppen. De weg loopt geleidelijk op tot een punt, waar we een schitterend uitzicht hebben over de vlakte. Aan de Gate checken we uit en kopen we de tickets voor het Ngorongoro N.P dat grenst aan de Serengeti. De weg vervolgt over een enorme droge en stoffige vlakte. Langzaam loopt het terrein op naar de krater. Volgens allerlei berichten zouden we verplicht zijn een gids mee te nemen. Dat geldt niet voor Exploring the World. De kaartjes worden gecontroleerd en zonder verder commentaar kunnen we afdalen. Enkele honderden meters beneden ons ligt de kraterbodem.

Na de lunch maken we een toer en weer zijn er de impala’s (“impaolaatsjies”: d.i. in ons Utregs jargon de verzamelnaam geworden van alle soorten impala’s, gazellen, antilopen, enz.), heel veel wildebeesten, zebra’s, flamingo’s, warthogs, een paar blackbacked jakhals en we zien zelfs, weliswaar op enige afstand, een hyena.

Als we onderweg zijn naar de krateruitgang treffen we vier jonge leeuwen bezig met een fotoshoot. Ze liggen in het gras pal langs de piste en als volleerde fotomodellen veranderen ze nu en dan van pose om alle toegesnelde toeristen te bedienen. Als we ons verkneukelend verder rijden is daar ineens een auto met een Belgisch nummerbord. Zij doen hetzelfde als wij: stoppen en achteruit rijden. Zo maken we kennis met Vera & Dirk. We informeren hen over de leeuwen en spreken af om elkaar later op de public campsite te treffen.

Een kilometer verderop zien we weer een groep auto’s staan. Dat betekent: er is iets te zien. En dat blijkt. Ergens op de beboste helling zou een neushoorn zitten. Met het blote oog is echter slechts bos te zien. We besluiten dat we de neushoorn, de laatste van onze Big Nine (de negen grootste wilde dieren) later wel een kans geven. Onze verrekijkers liggen immers nog thuis…

 

Langs de helling kruipen we via een mooie haarspeldpiste naar boven. Van een kale kraterbodem zitten we ineens in een regenwoud met hier en daar mooie doorkijkjes. Op de campsite (Simba A) kruipen we met Vera & Dick, als enige overland-auto’s, gezellig bij elkaar. We kletsen, koken, eten en drinken samen in de TOY. Want buiten is het heel erg koud en loeit de wind.

 

Zondag, 10 juli 2005 – Via overgangen en bijverdienende Massai naar Out of Africa

 

Het is nog steeds koud als we opstaan. De stormachtige wind heeft behoorlijk huis gehouden op het grote kampeerveld. Verschillende kleine tentjes waren niet opgewassen tegen dit natuurgeweld. Toch wel raar, je bent in de tropen en dan krijg je te maken met een temperatuur van een graad of acht en een stormachtige wind. Op de kraterrand (2400 meter) en op de flanken is het vochtig en groeien het gras en de bomen uitbundig. In tegenstelling tot de witte stoffige kraterbodem is de aarde hier van rood leem.

 

Door een dichte mist zoeken we na het ontbijt onze weg op de kraterrand. We hebben maar weinig zicht. Jammer, want het uitzicht, zowel naar de krater als naar de vlakte rondom moet mooi zijn. We dalen een paar honderd meter en laten de wolken achter of, beter gezegd, boven ons. Bij de parkuitgang begint het asfalt weer en zoevend dalen we verder af naar 1500 meter. We tanken in Karatu, passeren Lake Manyara N.P. met zijn schitterende vergezichten, kopen groenten en fruit bij een van de vele kraampjes langs de weg en slaan bij Mto Wa Bbu af in noordelijke richting.

Van het ene moment op het andere verandert er van alles. Van de goede asfaltweg in een groen landschap met stenen huizen, winkeltjes en goed geklede en fietsende mensen zitten we ineens op een stoffige piste. De lemen hutten gaan op in het grijze, dorre en kale land. De piste volgt de rand van de Ngorogoro krater en in de verte lonken er andere vulkanische bergen.

We lunchen in een zanderige rivierbedding waar de blauwkont-apen (door ons zo gedoopt omdat ze die hebben) alle kanten op vluchten. We passeren massai-nederzettingen die bestaan uit een verzameling hutten binnen een cirkelvormige afzetting van doornige takken. We zijn weer in een andere wereld en een andere tijd beland. De kinderen zijn schuw, maar de jonge meiden zijn, zoals we dat vaker hebben gemerkt, brutaal en stoer. Ze zijn de eersten die om geld of andere dingen vragen. Om een foto te maken moet er gedokt worden en dat doen we nou eenmaal niet. Even goeie vriendinnen natuurlijk, ook zonder foto’s!

Bij Engaruka (ruïnes) moeten we betalen ongeacht of je de ruïnes bezoekt. Tja, de mensen hebben zo hun manier gevonden om een extraatje te verdienen aan het toerisme. Maar, zo verzekert men ons, de betaling geldt ook voor Lake Natron. Na discussie gaan we toch maar overstag, want hoe kunnen we weten wat mag en niet mag in deze afgelegen oorden, en voor vijf dollar per persoon gaat de slagboom voor ons open.

 

 

 

Om een uur of half vijf zijn we bij het meer. We wandelen op de knisperende vlakte van snel gedroogde modder naar de plek waar de flamingo’s zich vermaken. Verder noordelijk zitten nog grotere kolonies, maar we zijn tevreden met wat we hier zien.

Op de (Moivaro) Natron Campsite installeren we ons met uitzicht op het meer en de bergen. We wonen wel weer op een plek die erg in orde is, vinden we.

Na het avondeten en de afwas maken we een praatje met een Italiaans-Frans stel en hun twee zonen.
Ze zijn hier met chauffeur/gids en kok. Hun tenten zijn opgezet en er is in alles voorzien. Zo zitten ze aan een keurig gedekte tafel, terwijl de kok op gloeiend houtskool een fantastisch diner voor de familie bereidt. Het geheel heeft een hoog Out-of-Africa-gehalte.

We treffen het. Ze blijken naar hier gekomen over een route vanuit het oosten, die wij ook willen rijden. Maar de informatie die we hebben was steeds dat die route niet of nauwelijks begaanbaar is. We checken het bij de gids. En hoewel de track hier en daar moeilijk te vinden is, is-ie er wel en begaanbaar ook. Wij weten voldoende. In de rustige en warme nacht dromen wij van de weg die we morgen zullen gaan.

 

Maandag, 11 juli 2005 – Nog steeds bijverdienende Massai en veeeeeeeeeel stof

 

Het is heerlijk weer als we opstaan. Zonnig, licht bewolkt, een beetje wind en een stuk warmer dan we de laatste dagen gewend waren. 

Een eindje verder op de piste vinden we de slagboom die gisteren open stond nu gesloten. Drie jongemannen staan bij het gebouwtje en vertellen ons dat we 15 dollar p.p. en 25 voor de auto moeten betalen. We protesteren en er volgt (wéér eens) een pittige discussie. Er is geen bord dat iets aankondigt en volgens onze informatie is Lake Natron geen nationaal park. Dus, hoezo dan wel! De slagboom blijft echter onverbiddelijk dicht. We lijken geen keus te hebben en de enige genoegdoening die ons rest is dat we niet betalen voor de TOY. We balen van deze manier van doen en nemen ons voor uit te zoeken hoe dat nu zit. Het lijkt nog het meest op de heffing door de Massai in Kenia toen we het Massai Mara N.P. door de noordgate verlaten hadden. De lokale gemeenschappen in dat gebied hadden zich verenigd en besloten de toeristen die er passeren en/of overnachten te laten betalen.

 

Het vervolg op onze tocht doet het leed echter snel vergeten. De vulkanische bergen steken in de ochtendzon prachtig af tegen de helblauwe lucht. De afslag in oostelijke richting naar Longido vinden we gemakkelijk dankzij “tracks4africa”. Het is niet meer dan een bandenspoor door het hoge gras van de steppen. Op enige afstand schrikken groepen giraffen en zebra’s op als we passeren. Gespannen houden ze ons in de gaten wanneer we een fotostop maken. Verderop maakt wild plaats voor kuddes koeien die op zoek naar gras grote stofwolken opwerpen.

Dat doen wij ook. Net als op de piste van gisteren ligt ook hier een flinke laag van het talkachtige stof dat wij “puf” noemen. Soms is het zo heftig dat het rondom donker wordt. Dan moeten we wel stoppen en wachten tot het stof is neer gedaald. De voorruit zit dan volkomen dicht. Pas als de ruiten (droog) gewist zijn kunnen we verder op het kluitige en soms behoorlijk uitgespoelde spoor met de enorme gaten.

 

We passeren een dorpje (Gelai Lumbwa). We worden aangestaard en een poging om te communiceren loopt op niets uit. Er is niemand die Engels spreekt. Dus zwaaien we als we verder rijden. In het dorp halverwege de route, Kitumbeine, is de bewoonde wereld merkbaar dichterbij. Een paar jongemannen spreken in ieder geval Engels. We checken het nogmaals, maar ook hier bevestigt men dat de zuidelijke afslag niet begaanbaar is.

Het is een drukte van belang in Kitumbeine vanwege de weekmarkt. Overal zijn er Massai-mannen en vrouwen in hun traditionele kleurige kleding, de oorversieringen en kralenkettingen. Bij de waterput zijn de mannen bezig hun blauw-rood-paars geblokte doeken te wassen. Op het gras zijn er tientallen te drogen gelegd. Binnen een afzetting is het vee verzameld en zijn de mannen druk aan het handelen. Het is ook een gelegenheid voor sociale contacten. Mensen kuieren samen rustig rond of zitten in groepjes te praten.

Helaas wil men niet gefotografeerd worden, dus zuigen we het schouwspel in ons op en genieten.

 

Na het dorp wordt de piste een stuk beter. Sterker, tot onze en TOY’s vreugde bestaat de piste voornamelijk uit wit, geel of rood zand. Dat levert ons een bijna-Saharagevoel op. Er groeien meer struiken en de vertrouwde acacia’s verschijnen weer om ons heen. In de verte doemen nieuwe vulkanische bergen op. Eenmaal op de hoofdroute van Nairobi naar Arusha zien we in het zuiden het puntje van Mount Meru nog net door een aureool van wolken heen steken. Voor een belangrijke verbinding is dit overigens een erg eenvoudige strook asfalt die door het opvallend weinig bewoonde bushland golft.

 

Het is laat in de middag als we Arusha bereiken. De hogedrukspuit gaat over TOY zodat we niet meer bij ieder contact met TOY onder het stof komen te zitten. Met een glanzend witte TOY installeren we ons op de Massai-Campsite. Het is een plek, waar iedere kamperende overlander in Arusha terecht komt. Er staat nog een Toyota waarvan de bezitter zich niet laat zien. Verder zijn er twee overlandtrucks en (dus) een veld vol kleine koepeltentjes. De bar en het restaurant zijn gezellig en bevolkt met ook mensen van buiten de campsite. 

Voor een plek waar zoveel mensen samen zijn is het die nacht behoorlijk rustig … op een stelletje muggen en honden na. Die zijn wel in staat om ons regelmatig in onze mooie dromen te storen.

 

Dinsdag, 12 juli 2005 –Drop (TOY)  of Dronder (Gerard)

 

Na het ontbijt gaan we naar het plaatselijke museum, waar de beroemde in klei afgedrukte voetafdrukken van de eerste rechtop lopende mensen te zien zijn. Het museum is gevestigd in een gebouw uit de Duits koloniale tijd. De voetafdrukken staan er, zonder de verdiende egards, ergens langs een wand. We zijn snel rond, want zoveel is er alles bij elkaar niet te zien. Maar wel is het internet beschikbaar! Altijd leuk om even te e-mailen. We ontmoeten er ook een man die op het hoofdkantoor van de Nationale Parken werkt. Hij bevestigt, wat wij al dachten: Lake Natron is geen nationaal park. We zijn dus bedonderd. Hij is blij dat we hem informeren over onze ervaring daar. Kunnen ze er iets aan gaan doen. Tenminste …

 

Buiten ontmoeten we de familie Aantjes. Vanavond vliegen ze terug naar Nederland en ze weten niet goed hoe ze de dag moeten doorbrengen. De rondleiding in TOY en het uitwisselen van de ervaringen in Tanzania wordt in ieder geval een gezellig besteed uur.

Op weg naar de garage doen we boodschappen in de Shoprite (speculaas, kaas, bruinbrood!) en eten we een tosti als lunch. De rest van de middag brengt TOY door op de brug, ik binnen in de TOY en Gerard eronder. Maar dan is-ie, TOY dus, weer helemaal olieververst en zijn de schokdempers beter afgesteld.

 

We gaan nog een nacht naar het Massai Camp, waar we een lekkere enchillada eten en bij het haardvuur nog een knus uur met onze boeken doorbrengen. Deze nacht houden zowel muggen als honden zich redelijk rustig en dat maakt dat onze nacht een stuk aangenamer verloopt.

 

Woensdag, 13 juli / vrijdag, 15 juli 2005 – De sleutel in het Keys Hotel

 

Na de Shoprite (verse spullen) en de garage (betalen) rijden we via de Old Moshi Road in oostelijke richting. Het is een lekkere hobbelige weg. Sporen van asfalt worden afgewisseld met delen granieten kinderkopjes, die nog getuigen van de koloniale periode. We passeren broeikassen van plastic. Mijn tuindersdochtershart springt bij het zien van zoiets nog altijd even op. En warempel, deze kwekerijen zijn van Nederlanders! Waar een klein land al niet groot in kan zijn. Of is het: waar een klein land niet groot genoeg voor is. Nu er in Nederland steeds minder ruimte is, gaan de kwekers de wijde wereld in.

 

 

Moshi, dat aan de voet van de Kilimanjaro ligt, bereiken we via een goede asfaltweg. Na een rondje stad en een burgerlunch vinden we in het Keys Hotel een mooie plek om een paar dagen te blijven. Het wordt tijd voor een wasbeurt van het bedden- en een heleboel ander goed.

Het hotel is de uitvalsbasis voor mensen die de Kilimanjaro, gaan beklimmen. Er heerst een sfeer die aan berg-refuges doet denken. Het is leuk om te horen, hoe men zich voorbereidt voor de grote trekking van meestal een dag of zes en hoe men het ervaren heeft. De minder goed voorbereide mensen lopen rond met duidelijk zichtbaar spierpijn en van tevredenheid stralende gezichten.

 

Voor 30 dollar hebben we een mooie kamer met airco inclusief ontbijt. Rustige koele ruimtes, een zwembad en vriendelijk en servicegericht personeel. Bovendien kunnen we in het zusterhotel gratis internetten. Alles bij elkaar is dit een goede plek voor ons dipje. Hebben we last van heimwee? Gelukkig heeft Bevas zoiets voorzien. Een kaartje met een oppepper kunnen we nu goed gebruiken. We bedenken, dat we voortaan niet langer dan een half jaar op reis moeten gaan zodat we eenzelfde periode thuis kunnen zijn.

Daarnaast beseffen we, dat we nog steeds in de omschakeling te zitten, die in Nairobi begonnen is. Ervoor was de uitdaging veel groter. Sindsdien is de infrastructuur in alle opzichten een stuk beter en zijn er meer westerse trekjes op ons pad gekomen.

Kortom, we maken ondertussen een vakantietrip over het bijzondere en mooie continent Afrika. En gelukkig, er zijn er naast de doorgaande asfaltwegen heel veel pistes en binnenlanden, waar nog veel te exploren valt. In het Keys Hotel vonden we de sleutel die omgedraaid moest worden. Hetgeen geschiedde.

 

Zaterdag, 16 juli 2005 – Tussen miezerige wolken en een schitterende sterrenhemel

 

Als we vertrekken vanuit Moshi is het bewolkt en miezerig. Een in de zon stralende Kilimanjaro, door de Tanzanianen liefkozend “kili” genoemd, zit er vandaag niet in. Gelukkig kennen we dat beeld nog van Kenia. Tegen de tijd dat we bij Same de Highway (A1 van Arusha naar Dar es Salaam) in n.o. richting afslaan op een kleine piste schijnt de zon alweer en is de temperatuur opgelopen tot zo’n 30 graden.

In het heuvelachtige landschap steken de dikke knokige kale baobabs mooi glanzend af tegen de blauwe lucht. Zo nu en dan zien we een fietser, passeren we een minidorpje en hobbelt er een lokale bus op de wisselend gele en rode aarden weg. Verder is deze wereld helemaal voor ons alleen. We weten het weer: this is Africa!

Ongemerkt zijn we in zuidelijke richting gaan rijden, waardoor we het asfalt van de highway eerder bereiken dan de bedoeling was. Niet zo erg, want Gerard voelt zich niet lekker. Hij installeert zich in de luwte van een paar bomen in de hangmat zodra we op de campsite van de Tembo-lodge zijn. We ontmoeten er ook een Nederlands gezin. Rosi & Mari zijn met hun jonge kinderen Hugo en India aan de laatste dagen van hun vakantie bezig. De vakantie vormt de afsluiting van een periode dat zij beiden ruim een half jaar als vrijwilligers in Arusha hebben gewerkt. Zij hebben hiervoor hun sabbatical gebruikt. Eind van de week gaan ze terug naar Amersfoort.

 

Gerard is al snel weer opgeknapt en geniet van de aardappelpuree, boontjes, knakworstjes en een glaasje wijn. Wij beleven een heerlijke avond onder een schitterende sterrenhemel.

 

Zondag, 17 juli 2005 – Geen volkorenbrood en toch een toppertje

 

Voordat we afscheid nemen van onze Amersfoortse buren en op weg gaan, nemen we de tijd voor ons cruesli-kampeerontbijt. Vanaf de hoofdroute slaan we de, weliswaar geasfalteerde, maar behoorlijke klimmende en kronkelige bergweg naar Lushoto op. We genieten van de schitterende uitzichten. In Lushoto kunnen we de volgens Reise Know How “empfehlenswerte” Irente Farm niet bereiken. Jammer, we hadden wel zin in het verse volkorenbrood en de kaas die men er maakt. We rijden terug tot aan Soni, waar we een klein weggetje op gaan dat via Bumbuli bij Korogwe de asfaltroute weer bereikt. We navigeren m.b.v. t4a (tracks for africa).

 

Het blijkt een route, die we direct onder de “toppertjes” rangschikken. We rijden door hele kleine nederzettingen die zo afgelegen zijn, dat men ons met open mond na staart. De kinderen zwaaien dapper tot we stil gaan staan. Dan rennen ze weg. Op de flanken van de bergen wordt hout gewonnen. Dat gaat ten koste van prachtige stukken regenwoud. Ook bebouwt men gewassen op kleine akkertjes. En waar men grond wil winnen, brandt de helling.

 

 

 

Overal waar water is, zijn vrouwen en kinderen bezig met de was. Op stukjes gras en in struiken droogt het bontgekleurde goed. De toch al schitterende bergroute wordt zo overal fleurig gekleurd.

In Bumbuli, niet meer dan een soort kruispunt van weggetjes, staan we stil om ons te oriënteren. Grappig is het om ook hier te merken, dat niemand naar je toe komt zo lang je niet om hulp vraagt. Als we van onze kaart opkijken, komt daar ineens een blanke jonge vrouw aangewandeld. Ze is Amerikaanse en werkt twee jaar in het dorp als vrijwilligster op de dorpsschool. En nee, zegt ze, als we haar dat vragen, saai is het niet. ’s Morgens in alle vroegte sjouwt ze de heuvel op waar het schoolgebouw staat en geeft ze de hele dag les. Eind van de middag is ze terug in haar banda, maakt ze het avondeten, beantwoordt vragen van leerlingen die aan de deur komen en zoals dat hier gebruikelijk is, gaat ze vroeg naar bed. Zeker, alles is hier behoorlijk anders dan thuis in de States. Maar ook is het leven daardoor in zekere zin eenvoudiger en overzichtelijk geworden, vertelt ze.

 

Om een uur of vijf zijn we in Karogwe. De campsite is er niet meer en we vinden een plekje achter het hek van het benzinestation annex restaurant (the White Parrot), waar we voor niets de nacht kunnen doorbrengen. We nemen een hapje in het restaurant voor we in ons TOY-bed kruipen.

Hoewel een Highway in deze contreien bijna dezelfde slaperigheid heeft als kleinere routes kan een lang stilstaande en ronkende vrachtwagen nog de nodige wakende uurtjes opleveren. Samen met de fel brandende neonlampen wordt het niet bepaald een snurknacht.

 

Maandag, 18 juli / woensdag, 20 juli 2005 – Blik op de weg en zicht op zee

 

Na de afgelopen nacht is koffie een goed hulpmiddel om de dag gestart te krijgen. Bijtijds zijn we weer op weg onder een blauwe hemel met een stralende zon. We rijden vandaag over de Highway naar Dar es Salaam. De geluidsinstallatie draait overuren terwijl we aanvankelijk door grote velden sisal rijden.

Er is weinig tot geen particulier verkeer. Maar wel zijn de volgepakte Toyotabusjes, gammele touringcars en nu en dan een 4wd-wagen “on the road”. De lokale bussen hebben fraaie teksten en beschilderingen. Als navigator heb je op zo’n asfalt-rij-dag weinig te doen, dus maak ik er een sport van tegemoetkomende en passerende bussen te fotograferen. Het resultaat is technisch niet fraai, maar wel lollig…

 

 

Bij kruispunten en dorpjes staan langs de weg de stalletjes, gemaakt van takken en latten en een afdakje van bananenbladeren. Tomaten, uiten en bananen zijn de meest aangeboden producten. Maar ook zijn er met regelmaat mannen die met (levende) kippen staan te zwaaien, of met eieren en maïs. Een enkele keer rennen ze zelfs met hun houtskool of zelfgemaakte krukjes een eindje met de auto op! Je kunt niet zeggen, dat hier geen moeite gedaan wordt om geld te verdienen.

De huisjes met hun gras- of verroeste golfplatendaken zijn steevast in de kleur van de aarde waarop ze staan. Ook hier zijn het vooral de vrouwen die lopen te sjouwen. De traditionele manden op hun hoofden hebben echter plaats gemaakt voor fel gekleurde plastic emmers.

 

Zoals iedere keer als we een wat langere afstand rijden, zien we ook nu grote trucks met behoorlijke technische problemen. Van alles en nog wat breekt af. Meestal een voorwiel maar ook de triangel (trekstang) van de aanhanger. Zo staan ze dan dagenlang met hun neus tegen een bergwand of met een losgebroken aanhanger midden op de rijstrook. En steeds weer blijkt, dat je ook als vrachtwagen-chauffeur een machete (groot kapmes) bij je moet hebben. De wegafzetting bestaat uit steeds grotere en verder op de weg gelegde takken. Wij, toeristen, zijn verplicht om twee gevarendriehoeken in auto te hebben. Wel logisch, wij zijn nu eenmaal niet in het bezit van zo’n machete!

 

Precies om twaalf uur zijn we bij de kruising van de weg die in oostelijke richting naar Dar es Salaam voert. Gerard checkt nog eens bij de in schitterend wit gestoken agenten wat de maximum snelheid voor auto’s als de onze is. En weer krijgt hij het zelfde antwoord. Bussen en vrachtwagens mogen niet harder dan 80 en de kleinere auto’s “worden niet bekeurd” als ze tussen de 80 en 100 rijden. Je moet je wel stipt aan de borden met 50 tot 30 km/uur in de dorpen houden. Overtreding kan tot flinke boetes leiden. Overigens wordt je sowieso behoorlijk afgeremd door de forse verkeersdrempels (“pole pole”). Het zijn soms net betonnen boomstammen, dus dan wil je wel! 

 

In Dar vinden we gemakkelijk onze weg naar het pontje dat ons naar het schiereiland Kamboni moet brengen. Het is een drukte van belang, maar we zijn vlot aan de overkant. En om een uur of half vijf staan we geïnstalleerd met uitzicht op een azuurblauwe Indische Oceaan en een prachtig wit strandje.
De warme zon wordt net voldoende getemperd door een briesje.

 

Natuurlijk hebben we buren. Addy uit Amsterdam is er bijvoorbeeld. Hij is in 3,5 maand tijd vanuit Namibië naar Dar es Salaam gefietst. Morgen vliegt hij naar huis. Daniël en Marie-Helène zijn een uiterst relaxt stel Fransen van onze leeftijd. Ze reizen inmiddels een jaar en zijn door Westelijk en Centraal Afrika naar het zuiden getrokken. Helaas wachten ze al een poos op een nieuw Carnet de Passage. De Franse Slag en Murphy’s Laws werken blijkbaar effectief samen. Alles wat fout kan, is fout gedaan of fout gegaan.

Na Gerrit & Ria zijn zij de volgende westrouters die we tegen komen. De Fransen hebben echter Nigeria “omzeild” door via Tsjaad te rijden. Hun verhalen openen toch weer west-perspectieven voor ons.
En nieuwe plannen beginnen te groeien….! Met hun stokoude zelf verbouwde Toyota Landcruiser komt ook nog een in Zuid Afrika woonachtig Duits stel de overlanders gelederen versterken. Gezellig dus en veel te bespreken en te bekijken.

Na een lekkere Chinees-Indische hap in het restaurant een eindje verderop langs het strand hebben we een gezellige avond met Addy en het Franse stel. Op het veldje is inmiddels een overlandtruck gestationeerd met rondom de overbekende koepeltentjes. En natuurlijk … er zijn Nederlanders in het gezelschap.

We hebben besloten om wat langer te blijven. Het mediterrane sfeertje, het goede restaurant, voldoende schaduwafdakjes en het gezelschap bevallen ons. En we gaan niet naar Zanzibar, want het is er hoogseizoen. Liever vermaken we ons hier nog een paar dagen. Het is zalig zwemmen in het heldere water en goed toeven in onze luie stoelen in de schaduw. Bovendien lukt het Gerard nu wel om de Koni schokdemper los te krijgen, zodat die beter kan worden afgesteld. Het heel goed betaalbare Oosterse eten maakt, dat de TOY-keuken alleen voor ontbijt en lunch dienst doet. En natuurlijk kijk je even raar op als een boer met zijn koeien langs wandelt op het strand.

 

 

 

De avonden en nachten zijn koel en het is heerlijk slapen met het geluid van de golven, terwijl op zee de lichtjes van de vissersboten te zien zijn.

 

Donderdag, 21 juli 2005 – Dag Dar en hallo bosbivak

 

Hoe lekker deze dagen ook waren, de reiskriebels werken alweer en rond de middag zijn we in Dar es Salaam doende met wat gedaan moet worden als we weer op weg gaan. Dat houdt in, dat we geld tappen (dat kan hier tenminste!), een internetcafé opzoeken, diesel tanken en boodschappen doen. Er is in Dar een Shoprite. In deze Zuid Afrikaanse supermarkten kunnen we steeds ons hart ophalen. Er zijn precies die dingen te vinden, die als je westerling, en zeker als Nederlander, zo nu en dan nodig hebt. Natuurlijk: bruin brood, kaas, koffie en –heel belangrijk- speculaasjes. Jammer genoeg is het bruine brood een dag (ofzo) oud, maar het is dan nog altijd beter dan het zoete cake-achtige brood waartoe je anders veroordeeld bent.

 

Tevreden verlaten we Dar in zuidelijke richting. Op de volgepakte uitvalswegen lopen venters met hun waar van auto naar auto. Van televisieantennes, gsm-telefoons, fruit, auto-artikelen tot …

Aan de rand van de stad zijn langs de weg de lokale marktjes, waar het een kleurig gekrioel is.

En dan ineens is de stad afgelopen en is het landelijke en groen om ons heen. Het verkeer is weer beperkt tot de volgepakte Toyotabusjes.

Aanvankelijk loopt de weg door een heuvelachtig gebied met palmbossen zover je kunt kijken. Later slingert de weg zich door een begroeiing van eucalypten (gum-trees), groene bolbomen en stoere en kale wit-getakte bomen. Een kilometer of dertig voor Kibiti houdt het asfalt op en rijden we op een rode stofpiste. Het ziet ernaar uit dat het niet lang meer duurt voor het asfalt ook daar is. In Kibiti kopen we nog wat bananen, uien en tomaten voor we afslaan op een kleine piste die naar het Selous Game Reserve (wildreservaat) leidt.

Om ons heen is laag kreupelhout en kleine kale boompjes. Op veel plekken is de bodem zwart geschroeid na het verbranden van het dorre gras en de onderbegroeiing. Hier en daar passeren we een kleine nederzetting terwijl we verder afdalen in de richting van de Rufiji-river.

Als het begint te schemeren zetten we TOY in wegrijstand in het bos. We kunnen maar een paar meter vanaf de weg gaan en zijn dan ook zichtbaar vanaf de weg. Maar hier lijkt ons dat geen probleem. De stilte wordt één keer onderbroken door een langzaam passerende vrachtwagen en een paar fietsers. Niemand besteedt enige merkbare aandacht aan die witte bak in ’t hout.

 

 

 

De krekels laten nog een poosje van zich horen voor we samen met de volle maan het bos voor ons alleen hebben. Voordat we inslapen genieten we vanuit ons bed van de door de maan verlichte bomen met hun grillige takken.

 

Vrijdag, 22 juli 2005 – Wild in een wildreservaat

 

Het warmt al snel op, als we onze weg vervolgen. Het leven in dit afgelegen deel van Tanzania oogt eenvoudig. De route is goed te volgen op onze gps (t4a) en zonder enig probleem bereiken we de Mtemere Gate van het Selouspark. Net als in de andere parken kost de entree hier in totaal (2 personen, auto en een plattegrond) 130 dollar. Anders dan we gewend zijn, mag het campinggeld op de campsite betaald worden volgens de vriendelijke poortwachter, die ons ook adviseert om bij ommetjes over kleine tracks steeds terug te keren naar de hoofdpiste. Om niet te verdwalen, voegt hij er aan toe. Dat zal toch wel los lopen, zeggen we tegen elkaar. De plattegronden zien er duidelijk genoeg uit.

 

Vlakbij de ingang is de Rufiji River Lodge. Het lijkt ons een goed plan om daar te gaan lunchen. Kunnen we ook eens goed bekijken waar Nardi en Marijke gelogeerd hebben. Helaas, het restaurant staat alleen klaar voor de eigen lodgegasten. We mogen wel even rondkijken en foto’s maken.

 

Verderop in het park lunchen we met uitzicht op een meertje waar kroks zich (soms zichtbaar) schuil houden. In de verte aan de overkant, wandelt een hippo-moeder met haar jong. De bavianen hebben voldoende dorst om met een oog op ons gericht aan de waterkant te komen drinken.

Als we de route vervolgen op een spoor dat op de kaart staat, moeten we nu en dan boomstammen weghalen. Het lijkt er op, dat het pad niet gebruikt wordt of mag worden. Maar de versperringen kunnen ons niet tegen houden en we genieten van de in het zonlicht oplichtende witte boompjes die schitterend afsteken tegen de donkerblauw dreigende lucht.

 

Terug op de hoofdroute zien we in de verte een paar safari-auto’s. Als we ons bij het gezelschap voegen (er zijn ook weer Nederlanders!), zien we twee mooie leeuwen. Mannetjes, zo te zien, maar ze bewegen zich door hoog geel gras. Tenminste als ze zich bewegen, want, de meeste tijd liggen ze zo’n beetje rond te koekeloeren.

We maken een klein rondje en zien dan dat de andere auto’s weer iets op het spoor zijn. Als we aansluiten zien we een prachtig schouwspel. Een grote troep leeuwinnen (we tellen er 18) kuiert op de weg. In formatie gaan ze daarna de vlakte op. Het lijkt een leger dat oprukt. Fantastisch om te zien. Of de dames op jacht zijn, kunnen we niet afwachten. De tijd dringt en er dreigen nog steeds buien. Het is nog een flink eind naar de Beho Beho Campsite. Via Mbuyu Camp moeten we er kunnen komen. En dan blijkt dat onze poortwachter niet voor niets gewaarschuwd heeft voor het verdwalen. Het kost veel moeite om bij het Mbuyu Camp te komen. Daar treffen we een verlate, verwaarloosde en verwilderde plek aan. Gelukkig vinden we er in de buurt ook een paar wegwijzers uit betere dagen. We weten weer ongeveer wat onze koers is.

We passeren een laag liggend deel van het park waar die dreigende lucht van eerder deze middag tot stortbuiten gekomen is. Het resultaat is, dat we, meer glijdend dan rijdend diepe en glibberige stukken van zwarte blubber moeten passeren. Gerard geniet van de uitdaging om TOY goed gaande te houden.
Ik vind het voornamelijk spannend. Het gaat allemaal goed en in tegenstelling tot TOY blijven wij gelukkig moddervrij!

 

Uiteindelijk komen we bij de personeelsverblijven van de BehoBeho Lodge. Vriendelijke mannen wijzen ons hoe we moeten rijden. Maar het duister valt snel en na nog een paar “uitdagende passages” besluiten we om niet verder te gaan. Het spoor is te onduidelijk en te slecht om in het donker te volgen. Bovendien moeten we morgen hetzelfde eind weer terug.

Op een bultje in een open ruimte stellen we ons op voor de nacht. Lekker spannend. We kamperen wild terwijl dat verboden (en strafbaar) is en wie weet welke wilde dieren ons vannacht zullen bezoeken. Terwijl we genieten van onze bacon-spaghetti en glaasje wijn zijn het echter voorlopig alleen een zwerm vliegende mieren waar we last van hebben.

 

 

 

Als het wat koeler is, de maan boven de horizon is verschenen en de sterrenhemel heeft verbleekt, kruipen wij lekker in ons hoge veilige bed. En stiekem hopen we, dat we deze nacht gewekt worden door voorbij stampende olifanten, brullende leeuwen of naar binnen glurende giraffen…

 

Zaterdag, 23 juli 2005 – Luie geliefden en eindelijk gerechtigheid

 

Niet door enig wild dier worden we gewekt, maar wel door een schitterend opkomende zon. Na ons gebakken eitje zijn we via BehoBeho Lodge en de airstrip al snel op het goede pad. Altijd fijn natuurlijk, zeker als er ineens een mooie leeuwenkop boven het gras uit steekt. Hij laat zich gewillig fotograferen. We zien vanmorgen veel meer wild dan gisteren. Op de leeuwen na zijn de dieren schuw. Zodra we naderen of stilstaan, maken ze zich uit de voeten. Het is vooral komisch om te zien hoe de giraffen dat doen.

 

Op de grote open vlakte vlakbij de hoofdpiste zien we zowaar een leeuwen-liefdespaar. Uitgeteld liggen een wat magere leeuwin en een leeuw met de sporen van een bar verleden pal naast onze piste. Ze bekijken ons even, maar we zijn niet de moeite waard voor verdere actie van hun kant. Wij echter, gaan er eens even goed voor zitten. Met een bakkie en koekie wachten we op de dingen die komen gaan. Want ja, een leeuwenpaar dat er aan toe is, gaat weg van de groep om een aantal dagen met elkaar op te trekken. Zo vaak als het maar kan, paren ze. Mijnheer Leeuw wil er zeker van zijn dat het zijn genen zijn die straks in die schattige welpjes worden doorgegeven. En wij willen wel getuige zijn van zo’n magisch moment. Maar ja, onze koffie raakt op, het koekjespak is leeg, foto- en video-opslag begint vol te raken en nog altijd is ons paar niet op krachten na de eerder geleverde inspanningen. Tijd dus om hun intimiteit niet langer te verstoren.

Nagenietend rijden we naar de uitgang. Hoewel …. We moeten ons ook nog voorbereiden op de controle van de tijd dat we in het park waren en dus ….. van ons nachtverblijf. Dat is steeds nog zo gegaan. En wij hebben besloten, dat we voor de nacht niet nog eens de 20 dollar per persoon hoeven te betalen. Moeten ze maar betere wegwijzers neerzetten … ofzo …! De slagboom staat open en twee verveelde (vrouwelijke) rangers wuiven naar het boek waar we o.a. de vertrektijd in moeten vullen. Over de nacht wordt niet gerept. Eindelijk gerechtigheid, vinden we. En we zijn opgelucht. Geen ellenlange discussies over kampeergeld of over boetes deze keer.

 

We hobbelen over een smalle afwisselend zanderige en dan weer rotsige piste met aan weerszijden manshoog gras. De regelmatig aanwezige wandelaars en fietsers duiken er steevast in weg als wij naderen. Ze zijn niet veel verkeer gewend en áls er iets passeert zijn het de woest rijdende personenbusjes. Foto’s maken van de vaak Islamitische mensen is er hier niet bij. Dat wil men niet. Vanuit de rijdende TOY maken we wel de gebruikelijke weg- en dorpsfoto’s. Vanuit de vlakte klimmen we kronkelend de Uluguru bergen in. Het levert schitterende uitzichten op de vlakte onder ons. Overal kringelen de rookpluimen omhoog.

Na 200 kilometer bereiken we Morogoro, waar we op het grasveld in de tuin van het Kola Hill Hotel voor zo’n anderhalve euro mogen bivakkeren en douchen. Als tegenprestatie eten we (zo’n 7 euro p.p.) in hun restaurant.

We ontmoeten er een Tanzaniaanse tandarts, die met vrienden een weekend vanuit Dar es Salaam hier door brengt. Drie jaar studeerde hij indertijd in Nijmegen en woonde hij bij een vriend op de Nieuwegracht in Utrecht. Hij heeft veel vragen en wij geen antwoorden. Want ja, waarom lukt het de Europeanen wel en de Afrikanen niet om de basisvoorzieningen (zoals gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting, enz.) geregeld te krijgen … 

Afijn, onze gedachten hierover worden door een koele bries verjaagd en de muziekinstallatie van de (open) bar staat zacht genoeg om er op in te slapen.

 

Zondag, 24 juli 2005 – Van Kolahill naar Riverside 

 

Het wordt een hele rustige zondagse start. Na wat vers-inkopen en ‘n half uurtje internet zijn we om een uur of twaalf weer buiten de stad. De route loopt dwars door het Kikumi N.P. Uiteraard heeft het wild voorrang. Maar de grote trucks, waarvan er opvallend veel onderweg zijn, en de grote bussen nemen het niet zo nauw. Ze scheuren! Maar zo nu en dan moeten ze stapvoets over de grote bultige verkeersdrempels. Dat zal ze leren Of niet natuurlijk!

We spotten nog het nodige wild voor we in het dorp Kikumi een lunchstop maken. In het ons meest aansprekende restaurantje treffen we een Amsterdamse familie. Pa zit daar met Moeder Anja en de kids (Malou en Jim) te wachten op hun eten. En zo kan het ook natuurlijk. Je vliegt naar Dar en regelt daar een auto met gids voor een uitstap naar een park in het binnenland. Vervolgens trekken ze per openbaar vervoer langs andere plaatsen. Ze sluiten de trip relaxt af op het strand van Zanzibar. We hebben een uiterst gezellige lunch!  

 

 

 

Het vervolg van de weg slingert langs de Ruaha-river, die ook de noordgrens van Udzungwa Mountains N.P. vormt. Op de hellingen schitteren de baobabs zilvergrijs in de laag staande zon. Langs de wegbermen zijn de apen druk doende hun vruchtensnack te verorberen. Behoefte aan belangstelling hebben ze daarbij niet nodig. Want zodra we stoppen, duiken ze in de bosjes.

Het is goed toeven op de mooie route die langs steile wanden en diepe canyons loopt. De op de vlakte scheurende trucks zijn hier behoorlijk tot bedaren gekomen. Stapvoets slepen ze zich naar boven.

Een eindje voor Iringa, het schemert al, zien we het bordje dat verwijst naar de “River Side Campsite”. Op een frisgroen grasveld met veel bomen hebben we een heerlijk donkere en stille nacht.

 

Maandag, 25 juli 2005 – Opgewonden Fransen en ontspannen Engelsmannen

 

Al direct na het opstaan heeft Gerard zijn goeie daad van de dag alweer achter de rug. Een Frans stel, nog maar nauwelijks bekomen van het ongeluk dat ze vrijdag hadden, moet vroeg op pad om weer bij hun reisgezelschap te komen. Gisteravond kregen ze hun Toyota opgelapt weer terug. Helaas start hun oude karretje niet. Met behulp van een schroevendraaier is het probleem snel gefikst. En weg zijn ze!

Wij vertrekken wat later na een fris cruesli ontbijt. Voorbij Iringa is een opgravingsplaats (Isimila) uit het stenen tijdperk (zo’n 60.000 jaar geleden). In een vallei heeft men heel veel stenen werktuigen gevonden zoals verschillende soorten bijlen en messen. Men veronderstelt dat de werktuigen hier gehouwen werden en dat het als het ware een industrieterrein is. Sporen van bewoning en van bewoners heeft men (nog) niet gevonden. We wandelen met de gids langs de vondsten en door een kleine kloof waar we de prachtige door (water) erosie gevormde zandstenen pilaren met een hardstenen top bewonderen.

Terug op de parkeerplaats drinken we samen met hem een kop koffie voor we verder trekken op weg naar de Kizolanza Farm Campsite. Dat is niet ver en om een uur of een staan we op de mooie camping. Mark, een van de Engelse broers die de camping beheren, leidt ons trots rond op de met zorg aangelegde camping.

 

Het is zonnig en fris op deze hoogte (ongeveer 1500 m) en we hebben dan ook een heerlijke campingmiddag. Die avond eten we in het restaurant. Dat is gevestigd in wat eens de boerderij was. Het enige wat resteerde waren de afgebrokkelde muren. Men heeft het onkruid weggehaald en er een dak op poten overheen gezet. Met olielampjes en kaarsen wordt de ruimte verlicht. Het resultaat is smaakvol en heel romantisch. Je eet hier gewoon wat de pot schaft. En het voedsel wordt bereid van producten van de boerderij. We drinken nog wat in een traditionele banda waar de bar is.

Daarna zoeken we in het pikkedonker onze weg terug naar TOY onder de bomen en slapen een voortreffelijke boerderijnacht.

 

Dinsdag, 26 juli 2005 – Dagje Kizolanzaboerderij

 

We besluiten nog een dag te blijven. Zo met de hangmat, een beetje schaduw, aardige mensen en een goed restaurant is dat geen straf. Kunnen we ook vast een beetje aan de afronding van Tanzania wennen en werken. Een typisch rustige campingdag dus, die we alleen onderbreken voor een wandeling over de boerderijgronden. Eind van de middag komt er zowaar een overlandauto aan. Het is een Duits stel (Walter & Barbara) die doceren aan de Duitse School in Nairobi. En natuurlijk, ze zijn ook hier weer. Twee grote overlandtrucks. Op deze camping hebben ze 'n apart veld. Dat is wel zo rustig voor de andere kampeerders. De door de beheerder aangekondigde Zuid Afrikaanse groep auto’s komt helaas pas aan als het al donker is. Nu kunnen we niet onderuit op onze stoelen zien hoe men het spul opbouwt. 

Het is wolkenloos deze avond en een schitterende sterrenhemel verhoogt de romantische sfeer van de omgeving.

 

Woensdag, 27 juli 2005 – De laatste Tanzaniaanse nacht bij Mama Elisabeth

 

Op het Duitse stel na is alles en iedereen al vertrokken voor wij ons ontbijt op hebben. Na het vullen van onze watertanks en het afscheid van de kampbeheerder gaan ook wij. Het bergachtige gebied om ons heen is afwisselend onbewerkt, dan weer zijn er akkertjes en ook hele grote percelen bosbouw. Na een kort bezoek (boodschappen, internetcafé) aan Mbeya, de laatste grotere stad voor de grens, slaan we af naar het zuiden. De campings waarvan Reise Know How de waypoints geeft zijn respectievelijk niet op hun plaats en niet meer in bedrijf. Maar een eindje voorbij Tukuyu slaan we af en een kilometer of zes verder ligt het Lutengano Morovian Centre. Het is een school met internaat van de Hernhutters. Mama Elisabeth runt de boel. Op het grasveld voor de schoolgebouwen kunnen we staan. We krijgen de nodige aanloop. 

Gerard gaat vroeg in bed, hij is afgepeigerd na een hele dag niezen en proesten van de hooikoorts.

 

Donderdag, 28 juli 2005 – Woody’s waterval en afscheid van Tanzania

 

Tijdens het ontbijt, meldt zich een Duitse jongeman, die als vrijwilliger bijbelles geeft op de secondary school. Hij doet erg denken aan Woody Allen. We moeten echt de Kapologwe-waterval hier in de buurt bezoeken, vindt hij. Een goed plan, lijkt ons en we zoeken onze weg dankzij de uitleg van “Woody” via kleine paadjes en weggetjes. Het is goed te merken, dat hier maar hoogst zelden een auto komt en zo nu en dan wordt het een echte TOY-challenge. En net als Gerard is hij dan op zijn best!

Ergens tussen de bewerkte veldjes eindigt het spoor en hebben we direct een legertje “gidsen” tot onze beschikking. Of we het willen of niet, het hele stel begeleidt ons op het paadje naar beneden.

De omweg blijkt erg de moeite waard. Achter de waterval is een grote grot en de waterval valt als een gordijn ervoor neer. Daar achter strekt zich een prachtig groen dal uit. Als we terug zijn bij TOY, staat er een auto van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO). Een team gaat bestrijdingsmiddelen in de rivier boven de waterval strooien tegen de in dit gebied voorkomende rivierblindheid.  

 

 

 

Terugrijdend naar de doorgaande piste passeren we weer de in de bananenplantages verscholen huisjes en een streekschool. De kinderen hebben dolle pret als we stoppen en foto´s maken. En wij ook! We betalen het dorpshoofd een bedrag voor ons bezoek aan de waterval en blij wuift hij ons na.

Via een ommetje langs een ander dal bereiken we de asfaltweg weer. Op het stuk naar de grens zijn veel bananen- en theeplantages te zien. De lemen huisjes worden ook hier meer en meer vervangen door in dezelfde stijl gebouwde roodstenen huizen. 

Voorbij de slagboom in niemandsland zijn de grensformaliteiten snel afgehandeld. We nemen de tijd om er te lunchen, wisselen Tanzaniaanse shillingen om voor Malawese kwacha’s en zetten onze horloges een uur terug. Aldus gesterkt en voorbereid rijden we om half twee op naar de grensgebouwen van Malawi.

 

We laten Tanzania achter ons. Een land, waar we prachtige en vriendelijke mensen ontmoet hebben, indrukwekkende routes gegaan zijn, genoten van de mooie natuur en de dieren in de parken. Daarnaast houden we het gevoel over dat je als toerist op erg veel plekken een groot dollarteken bent. En da´s wat minder… Het wennen aan betere wegen, meer en goedgevulde supermarkten, uitstekend geoutilleerde campings is ook flink op gang gekomen. Zijn we nu echt op vakantie?