home

B&G

  • B&G
  • kinderen
  • kleinkinderen

auto

  • TOY
  • BusCA
  • TOY in 't zand
  • toyota hzj78
  • hzj extreem
  • ons bussie
  • keuze toyota

voorbereiding

  • website
  • kamperen
  • gezondheid
  • documenten
  • proviand
  • gereedschap
  • kaarten en boeken
  • apparatuur
  • gps

FAQ

  • algemeen
  • tips
  • bandenspanning
  • afrika
  • rusland/mongoliĆ«
  • australiĆ«

reizen

gastenboek

  • lezen
  • toevoegen
Africa 2005
::
kenya
  • algemeen
  • prologue
  • europe
  • tunisia
  • libya
  • egypt 1
  • egypt 2
  • sudan
  • ethiopia 1
  • ethiopia 2
  • kenya
  • uganda 1
  • uganda 2
  • rwanda
  • tanzania
  • malawi
  • mozambique
  • zambia
  • botswana 1
  • namibia 1
  • namibia 2
  • botswana 2
  • south africa
::
reisverslag
Africa 2005 :: kenya :: reisverslag

if you go to kenya :: route, you can download a video of an elephant-attack

 

 

 

Donderdag, 31 maart 2005 - Over pistes die er niet zijn en een park dat er wezen mag

 

Na de grenspaal gaat het spoor verder in zuidelijke richting. In Ileret is de politiepost snel gevonden.
De inreisformaliteiten worden uitgesteld tot Nairobi. In deze uithoek van Kenia is geen immigratie-, laat staan douaneambtenaar, te bekennen. Dus schrijft een vriendelijke agent een brief (met doorslag) waarin alle relevante informatie wordt vermeld. De brief is vooral bedoeld om moeilijkheden onderweg te voorkomen. Per slot zijn we min of meer illegaal in Kenia en tot aan Nairobi zijn er nog vele kilometers en een aantal dagen te gaan. We bespreken met hem ook de route naar North Horr. Veel duidelijkheid krijgen we niet, behalve waar we het terrein moeten verlaten om de piste terug te vinden.

 

Ten zuiden van Ileret stuiten we op een bord dat de grens van het Sibiloi N.P. aangeeft. Volgens onze kaarten loopt de doorgaande weg voor een stukje door het park. Het komt vaker voor dat een doorgaande weg een park kruist. Hier dus ook en wij hoeven, als passanten, niet op zoek naar de toegangspoorten waar tickets gekocht moeten worden.

De weg wordt een bar slechte piste. Soms zanderig met grote gaten, dan weer vol met scherpe stenen om vervolgens over slikvlakten langs het Turkanameer te gaan. Op de gps zien we dat we almaar niet oostwaarts gaan. Dat klopt dus niet met de route zoals die op de kaart staat. Maar ja, alternatieven zijn er niet. Bovendien is het al schemerig aan het worden en het is verboden de nacht in het park door te brengen. Dus we rijden maar door.

Uiteindelijk belanden we op een plek waar een paar gebouwtjes staan. Het blijkt een post van het park te zijn. Het is een prachtige plek aan het Turkanameer. Er is ook een archeologisch museum, bandas (vakantiehuisjes) en er is een campsite met prima sanitaire voorzieningen. De weg zoals die op de verschillende kaarten staat blijkt niet te kloppen.

Het uitzicht op het meer is adembenemend en nog lang liggen we achterover in onze stoelen in de zwoele avond en bestuderen een mooie sterrenhemel.

 

Vrijdag, 1 april 2005 – Geen één-april-grap maar (bijna) bloedige ernst

 

De beheerder, een erg aardige man, brengt ons de rekening. Wij protesteren tegen de toegangsprijs
(ad $ 15 p.p.). Want, zo redeneren we, we zijn op de doorgaande weg naar North Horr noodgedwongen in het park terechtgekomen. En behalve het grensbord van het park hebben we geen andere aanwijzingen gezien dat we anders hadden kunnen of moeten rijden. Hij is het wel met ons eens. We betalen dus alleen de campsite. Dit, overigens, nadat Gerard via de radio ook nog met Head Quarters in gesprek is geweest. Zij vinden dat we moeten betalen, want we zijn ontegenzeggelijk in het park.

We vervolgen de route die over een duidelijker en beter spoor leidt. Ook komen we nu wegwijzers tegen en we weten dat we inderdaad richting North Horr koersen. Op de gps zien we wel dat we niet echt buiten het park komen. Maar vooruit, veel keuze hebben we niet en het landschap is mooi. We zien dikdiks, impala’s, hartebeesten, zebra’s en gemsbokken. Het pad is afwisselend droog en stoffig en dan weer modderig. TOY heeft inmiddels de kleur van de roodbruine modder als een verflaag op zich. Heel stoer!

 

Bij de oostuitgang van het park hervatten we voor de gesloten boom de discussie over het al dan niet rechtmatig heffen van entreegeld op een doorgaande route. Dat er niets anders op zit dan te betalen, realiseren we ons inmiddels. Maar we willen wel, dat onze kant gehoord en begrepen wordt.


Een van de twee rangers blijkt een tamelijk opgewonden standje en hij weigert simpelweg te luisteren.
Hij onderbreekt Gerard doorlopend en herhaalt dat we moeten betalen. En zelfs maakt hij een opmerking over blanken die denken zwarten te kunnen bedonderen. Afijn, de frustraties lopen zodanig op dat de man op een gegeven moment met zijn geweer op Gerard gericht staat. Oeps! Zijn collega pakt het van hem af en ik kalmeer Gerard.

Het eind van het liedje is, dat er twee mensen van HQ bij komen, die de man sussen en onze kant wel willen horen.

Als we dan eindelijk kunnen betalen, vragen ze $ 30 p.p. in plaats van de $ 15 van gisteren, omdat het vandaag april is. En dat is geen grap! Dat weigeren we en misschien uit angst dat er weer gedonder van komt, gaan ze akkoord. Er worden goedmaakhandjes geschud en verontschuldigende woorden gesproken voordat we dit park-om-nooit-te-vergeten achter ons laten.

 

Het landschap van de Eastern Chalbi Desert is ruig, droog, rauw, onherbergzaam en desolaat. Soms zwarte grindvlakten, dan weer rotsig, maar steeds kaal en stoffig. Soms racen we over strakke zandvlakten of hobbelen we door droge rivierbeddingen. We moeten vooral op gezond verstand navigeren, want we hebben geen enkel waypoint en er is hier geen levende ziel te bekennen om de koers te checken. We vinden het fantastisch zo, want wat kan ons gebeuren?

 

North Horr kondigt zich aan omdat we nomaden en hutten tegen komen. In het stoffige dorpje is het even zoeken naar het vervolg van de route en verder gaat het langs primitief levende nomaden met hun kamelenkuddes en –karavanen. We passeren nog een dorpje en schuiven stuiterend over een piste van scherpe zwarte stenen. Met een gangetje van twintig kilometer per uur klimmen we verder. Gelukkig vinden we mooi op tijd een vlak stukje boven op de pas in de ondergaande zon. Daar staan we dan in alle verlatenheid met slechts lege ruimte rondom.

De hele nacht zullen we weten dat we hoog staan! Het waait doorlopend heel hard.

 

 

Zaterdag, 2 april 2005 – Van hobbel- naar wasbordpiste

 

Om een uur of negen hobbelen we verder over de piste door de Eastern Chalbi Desert. 30 Kilometer verder en een uur later wordt het ietsje beter. Soms kunnen we zelfs lekker opschieten als er een zandvlakte voor ons ligt. Geleidelijk klimt de weg op naar Marsabit dat aan de A2 ligt. De A2 (Trans Africa Eastern Highway) is de beruchte piste vanaf Moyale aan de Ethiopische grens naar Isiolo, waar het asfalt begint.

 

Op de straatmarkt van Marsabit kunnen we gelukkig onze Ethiopische Birren wisselen voor Keniaanse Shillingen. We eten een hapje en zien af van ons gedroomde bivak bij Lake Paradise in Marsabit N.P.
Dat de prijs voor het kamperen van twee naar tien dollar per persoon verhoogd is, is nog tot daar aan toe! Maar dat we, staande aan de entree een bedrag van zo’n 50 Euro reserveringsgeld moeten betalen, vinden we te gortig.

Verder zuidwaarts dus. De piste doet zijn faam alle eer aan. Hij is weliswaar breed, maar het is een ongelofelijk wasbord. Bij een gangetje van 20 dan wel met een vaart van 80 rijden we nog enigszins comfortabel. En hoewel beide snelheden zo hun nadelen hebben, zijn snelheden daar tussen in ronduit rampzalig. We kunnen ons goed voorstellen, dat auto’s (natuurlijk vooral de niet-toya’s) heel wat schade oplopen.

 

De Chalbi-woestijn heeft in deze omgeving een, weliswaar karige maar toch, begroeiing. Hier en daar passeren we een dorp met een politiecontrole. Languit in de schaduw liggend wuift de overheidsdienaar ons door. Langs de weg zien we de nomaden van deze streken, de Samburu’s.

Mooi opgetuigde mannen met ontbloot bovenlijf en een geruite lendendoek. En de vrouwen dragen een col van kralenkettingen. Ook hier weet men wat men waard is. Voor het maken van foto’s moet dus betaald worden.

 

Als de zon daalt, zijn overal langs de weg de dikdiks in paartjes aan het grazen. In de schemer vinden we een mogelijkheid om van de weg af te gaan. Verscholen in de bush slaan we ons bivak op. Het is een heerlijke plek zonder insecten. De mislukte aardappelpuree wordt omgetoverd tot aardappel-puree-met-witte-bonen-in-tomatensaus-soep en smaakt geweldig.

 

Zondag, 3 april 2005 – Samburu en het aftellen van de Big Ten begint

 

Naast koffie hebben we alleen maar biscuitjes te eten. Besmeerd met appelstroop lijkt het nog een echt ontbijtje. Omdat we zo’n mooie ondergrond hebben, kan Gerard de onderkant van TOY uitvoerig inspecteren. Maar dan gaat het hobbelen over de A2 onverbiddelijk verder tot aan Archer’s Post. Het is een klein gehucht waar de toegang naar het Samburu N.P. is. We vinden Mohammed, liever gezegd hij vindt ons, als gids voor een excursie in het park. Hij regelt de toegangstickets voor de helft van de prijs. Met veel moeite scharrelen we wat levensmiddelen bij elkaar.

 

In het park stuiten we al direct op wild. De prachtige netgiraffen proberen samen met de olifanten in de droge rivier een beetje vocht te vinden. En verder zien we volop Thomson-gazellen, een topi en een krokodil.

Na een koud drankje in de lodge zoeken we een plekje op de campsite en laat in de middag maken we nog een rit door het park. Naast de eerder gespotte dieren, zien we nu ook buffels, struisvogels en een cheeta. Alle auto’s verzamelen zich rondom de vlakte waar hij in het hoge gras ligt. Iedereen hoopt, dat hij "een kill" zal gaan doen. Maar langzamerhand beginnen de gealarmeerde gazellen wat meer te ontspannen.
En ook wij hebben sterk de indruk, dat ie alleen maar lekker lui ligt te wezen.

 

Op de campsite moeten we de hondsbrutale vervetapen uit onze buurt zien te houden. Zelfs een hard schreeuwende en met stok dreigende Gerard maakt geen indruk. D’r is er zelfs een die terug dreigt. Pas als onze gids erbij komt blijven ze wat verder uit de buurt. Voor zwarte mensen hebben ze wel respect.

Juist als we helemaal aan douchen toe zijn, is er geen water meer. Gelukkig is dat tijdelijk, blijkt later op de avond. Van de bavianen hebben we veel minder last. Die hobbelen gewoon in grote groepen rond en als het nodig is laten ze zich wegjagen.

Na het eten zitten we bij het kampvuur van de buren, een Nederlands stel (Brenda en "Ahmed") met ouders (D.J. en Willy).

 

 

Maandag, 4 april 2005 – Gewekt door olifanten en wakker blijven met muggenbeten

 

Vroeg in de ochtend worden we wakker van een rommelend geluid. Naar buiten glurend, zien we nog net de laatste olifant van een rijtje onze TOY passeren. Dat is nog een een wekker!

 

Tijdens de gamedrive bezie ik het landschap en de dieren vanuit het dakluik. Zo kun je je tenminste een beetje op het niveau van giraffe en olifant bewegen. In de bush is het vochtig en warm en al snel loopt het water van ons af. We zien deze keer wel een paar mariboes en in de verte oryxen. Van dichtbij zien we onze cheeta van gisteren. Hij ligt bij te komen met een rond buikje. Die gaat voorlopig niet jagen!

Om een uur of halftien rijden we het Park uit. In Archer’s Post zeggen we "the Gang" gedag. Deze groep jongemannen had de dag ervoor ijverig geprobeerd ons van alles te verkopen. En het was effe schrikken, toen ik almaar met "Mama" werd aangesproken. Ben ik dan al zo oud? Maar het blijkt de aanspreektitel voor bijna iedere vrouw.

 

We hobbelen de 30 kilometer over de A2 naar Isiolo en vinden daar de verplichte L.H.D.-sticker. Die moet achter op de auto geplakt worden, zodat de overige verkeersdeelnemers kunnen zien dat we het stuur aan de "verkeerde" kant hebben. (In Kenia rijdt men links.)

Op het goede asfalt is de afstand naar de hoofdstad snel gereden. Vanaf de weg houden we het oog op Mount Kenya. We krijgen onderweg nog een hevige stortbui, waardoor het wit van TOY weer in beeld komt.

 

In Nairobi gaan we naar de Upper Hill campsite, een ontmoetingsplaats voor overlanders. Het ligt vlak bij het centrum, waar we nog van alles te doen hebben. In dit boomrijke stadsdeel, waar de Engelsen in de koloniale tijd hun hoge ambtenaren huisvestten, zijn nu hotels, ambassades, overheidsdiensten. banken en verzekeringsmaatschappijen gevestigd.

Op de campsite treffen we Pier en Jaquelien (Toyota 61, daktent, twee honden) die vakantie houden.
Ze wonen net drie maanden in Oeganda. Eindelijk vindt Gerard iemand met wie hij op niveau over 4wd en alles wat daarmee samenhangt, kan praten. Pier heeft echt verstand van auto’s en campers.
Sterker: hij is monteur en prepareerde en bouwde overland-campertrucks. Ze hebben ook al heel veel van de wereld gezien. Kortom, er is veel te praten tot in de late uurtjes.

Het is hier veel koeler dan we gewend waren. Dat is prettig. Minder fijn is het dat ik onder de muggenbeten zit. En jeuken dat het doet!

 

Dinsdag/Donderdag, 5/7 april 2005 – Upper Hill campsite en formaliteiten in Nairobi

 

We staan lekker op de campsite. Van werken komt niet veel terecht, maar we hebben het gezellig met Pier en Jaquelien. We gaan in een stinkende taxi naar het Carnivore restaurant en eten daar allerlei soorten (ook bush-) vlees. De krokodil smaakt ronduit vies, de rest is oké. Pier en Gerard hebben in mum van tijd de band van de taxi gewisseld als die op de terugweg lek gaat. De taxichauffeur kijkt verbouwereerd toe.

 

Terug op de camping staat daar warempel de Isuzu van Leonie en Aschwin (die van Aswan, Wadi Halfa, enz., enz., enz.). Gerard loopt een paar keer de Nairobi Hill (waarop de campsite ligt) op en af naar de diverse burelen in het centrum. Zijn conditie verbetert enorm, maar vermoeiend blijft het.

En alles komt in orde: we zijn nu legaal in Kenia, we hebben het visum, het carnet is gestempeld en de (Comesa-) verzekering is afgesloten. Er is geld gepind en gewisseld. We kunnen weer.

 

Tijdens een van deze regeluitstapjes komt er een tropische regenbui over ons heen. TOY raakt nog meer Chalbi-desert sporen kwijt. Vanuit de TOY zien Pier, Jaquelien en ik hoe de camping verandert in een meertje met hier en daar stroomversnellingen. Ook zien we Gerard terugkomen nat tot op het bot.

Tussendoor zijn we zo nu en dan online op de computer in het campsitekantoortje.

Woensdagmorgen zwaaien we Pier en Jaquelien uit en op donderdagmorgen Leonie en Aschwin. Wijzelf hebben besloten een hotel te zoeken, zodat we nog even echt aan de slag kunnen. Eerst gaan we in het centrum bij KLM, bank en supermarkt langs. Daarna vinden we een leuk hotelletje niet ver van de camping, het landelijk aandoende Fairview Hotel.

 

Vrijdag/Maandag, 8/11 april 2005 – Hotel-werkdagen met relaxte tussendoortjes

 

Een van de aantrekkelijkheden van het Fairview Hotel is, dat we gewoon met onze laptop draadloos het internet op kunnen. Er is weliswaar geen adsl, maar de verbinding is redelijk snel. Het hotel is bovendien aan de "veiligste straat" van Nairobi gelegen. Het wemelt hier in de omgeving sowieso van de ambassades en ministeries, maar hier zitten we pal tegenover de Israëlische Ambassade. En die wordt stevig bewaakt. Onze TOY moest een extra check ondergaan, want de mannen vonden het een nogal verdacht ogend voertuig.

 

De dagen slijten we afwisselend werkend aan de computer, koffie en gebak nuttigend op het ene terras, dinerend op het andere, zwemmend in en zonnebadend naast het zwembad. En hoe goed is het om weer eens van een espressootje met een cointreau’tje te genotteren. Het lukt ook om Ethiopië uit ons systeem te krijgen en Kenia er binnen te halen.

Verder volgt Gerard de bouwwerkzaamheden van het nieuwe restaurant nauwlettend en verhuizen we drie keer van kamer. We blijven dus wel in beweging. Tussendoor verwonderen we ons bij een soort eo-familiedag in een park hier in de buurt. De sfeer is heel "alleluja" en "praise the Lord". Sommige mensen staan in trance de handen ten hemel geheven, anderen swingen op de ritmische reli-muziek.

Op zondag is de site bijgewerkt met het tweede deel van Ethiopië en het contact met het thuisfront weer op peil. Kortom, het wordt weer tijd om te gaan.

 

Maandag gaan we na de lunch via een grote supermarkt (bruin brood en kaas!) op weg naar het
Amboseli N.P., dat aan de grens met Tanzania ligt. Bij Athi River slaan we af naar het zuiden en gaan op zoek naar een camping van een Nederlander. Die zou tegenover de ingang van Nairobi N.P. liggen. We vinden de Cheetah-gate, maar geen campsite. We komen uiteindelijk terecht op een plek, waar we kunnen kamperen.
De eigenares van de Ololooitikoshi Lodge, Edna, doet haar best om ons over te halen langer te blijven.

We eten in de eetkamer van het hotel-huis en hebben alles en iedereen voor ons alleen. In de tuinen zijn heel veel vogels en in een betonnen waterbak waar we de TOY naast gezet hebben zitten kikkers.
Die maken een geluid, dat in de bak hevig echoot. We verplaatsen ons Toyotel om nog van enige nachtrust verzekerd te zijn.

En dat lukt…

 

Dinsdag, 12 april 2005 – Masai-land en hoe een grote Boze Olie een mooie video opleverde

 

Al vroeg worden we gewekt door de bijzondere vogelgeluiden. We moeten een nogal volhardende Edna weerstaan en vertrekken om een uur of halftien, na een rondleiding door huis en tuin.

 

De zandweg is vol diepe grote gaten met water. Op de hoofdroute van asfalt zien we de Masai met hun kuddes en de Masai-dorpen. Tot aan Kajiado is het landschap kaal en zijn er huizen en hekken. Daarna neemt de begroeiing met bomen en struiken toe en is het heuvelachtiger.

De meeste Masai zijn traditioneel gekleed en omhangen met allerlei versieringen. Maar ook degenen die westerse kleding dragen, hebben de Masai-doek in ruiten van primaire kleuren omgeslagen.

Bij de Tanzaniaanse grens gaan we linksaf een rode zandpiste op die naar het N.P. Amboseli leidt.
Het landschap is prachtig en we blijven de Masai met hun kuddes passeren.

 

Al direct na de Mashanani-gate zien we de eerste wildebeesten (gnoes). De grote struisvogels zijn komisch als ze zich uit de voeten maken. Het wrattenzwijn blijft op flinke afstand net als de buffels. De impala’s en gazellen (in alle soorten) vormen inmiddels een vertrouwd plaatje. Er zijn ook heel veel (wad) vogels.

 

 

Het park ligt aan het Amboseli-meer en bestaat voor een groot deel uit grasvlaktes met moerassige delen. In het zuiden zien we de aanloop naar de Kilimanjaro die, zoals meestal, in wolken gehuld is.

Het is laagseizoen en we wanen ons alleen op de wereld. We lunchen uit de TOY en toeren verder, genietend van het landschap en de dieren. Er moeten in het park zo’n 600 olifanten zijn, maar het duurt tot laat in de middag voor we de eersten zien. En dan ineens zijn er ook giraffen en zebra’s.

Aan het eind van de middag gaan we naar de public-campsite die door een Masai-dorp beheerd wordt. Onderweg zien we hoe een stortbui over het land trekt. Prachtig om te zien: wolkenluchten met zon en dan zo’n bui. Door zulke hoosbuiten veranderen pistes hier en daar in bruine riviertjes. Gelukkig is de ondergrond van de piste hard. Maar als je ernaast gaat rijden, kom je terecht in drassige en modderige stukken. En dan kun je vast komen te staan.

Dat ondervond een Toyota-safaribusje. Tot op zijn buik treffen we het aan in de modder en het water.
Een groep Masai-mannen doet al enige tijd vruchteloze pogingen om het busje vlot te duwen.

Afijn, wij hebben TOY, een lier, een foto- en videocamera en altijd zin om auto’s (zeker Toyota’s) uit benarde posities te trekken. Halverwege de berging arriveert ook de eerder genoemde stortbui op de plek van actie. Jammer voor Gerard, die op de valreep helemaal doorweekt raakt.

 

Op de campsite zijn we de enige kampeerders. We stellen ons zodanig op, dat we verzekerd zijn van een onbelemmerd uitzicht op de Kilimanjaro, Afrika’s hoogste berg. Volgens de gidsen heb je vanuit Kenia het mooiste uitzicht op de berg. Tenminste … als de wolken willen wijken en dat schijnt vooral ‘s morgens het geval te zijn. 

 

Als ik in de TOY bezig ben, zie ik ineens op vrij korte afstand een grote olifant. Ik denk nog, zó dichtbij? Dat zou niet moeten kunnen, er is een afrastering die onder stroom staat. Daar houdt het wild niet zo van. We gaan er, bewapend met video- en fotocamera op af. Dichterbij gekomen zie ik dat de olifant inderdaad op het campsite-terrein is. Ik neem aan, dat Gerard dat ook ziet. Omdat ik liever niet zo dichtbij wil komen, buig ik af en verschuil me achter een banda. Gerard gaat rechtdoor en ik duim dat hij voorzichtig is.

Om het hoekje glurend, heb ik goed zicht op onze eenzame olifantenman. Dan ineens trompettert hij en hij trekt een sprint. Ik schrik me rot! Gerard weet toch wel wat hij aan het doen is of is hij overmoedig! En nog twee keer klinkt het agressieve geluid van een hele boze olifant.

De campsitebeheerder komt met assistent op het geluid af. Hij weet dat dát geen goed teken is, hij kent zijn mannetjes (-olifant). Hij roept Gerard, inmiddels achter een struik weggedoken, toe om de auto te halen om mij op te pikken. Ik voel me veilig achter het huisje en hou me lekker schuil zo lang als het nodig is. De beheerder komt me halen en samen sluipen we terug naar veiliger oorden.

Maar de video-opname van National Geographic kwaliteit is er!

 

Inmiddels is Gerard doordrongen van de realiteit. Onze Masai vertellen ten overvloede hoe vorig jaar nog iemand van hun dorp door een olifant gedood werd. Traditiegetrouw gingen de Masai daarna achter de killer aan. Met hun speren staken ze hem net zo lang tot hij ongevaarlijk was geworden. Vervolgens haalden ze de parkrangers erbij om hem af te schieten. Gelukkig is een wraakactie als deze nu niet nodig….

Omdat onze Grote Olie nog ergens in het duister over de campsite dwaalt, maken we een vuur. Dat houdt hem, en ander gespuis, wel op afstand. De kampbeheerder eet met ons mee en we hebben de avond hard nodig om de schrik uit de benen te krijgen.

En in de donkere nacht worden we door hyena’s in slaap gehuild. Het kan beroerder, is het niet?

Zeker, omdat we direct na ons olifantenavontuur de Kilimanjaro door de wolken heen zagen priemen, terwijl de ondergaande zon de sneeuw hel op deed lichten.

 

Woensdag 13 april 2005 – Een goedemorgen met Grote Olie en een slechte nacht met jeuk

 

De dag begint goed: onze vriend de Grote Olie is er weer. Hij is verder op het terrein gekomen en samen met de kampbeheerder houden we hem goed in de gaten. Voor we vertrekken rijden we met de TOY nog wat dichter naar hem toe om nog wat plaatjes te schieten. We staan weer quitte!

Op onze gamedrive zien we dezelfde dieren als gisteren, maar nu in grotere groepen. Met name de grote kuddes olifanten in alle leeftijden en grootte zijn prachtig. Mooi in het landschap. In de moerassige delen zijn veel wadvogels en we spotten ook een mooie groengele lizard.

 

We verlaten het park bij de Iremito-gate en volgen de piste in oostelijke en later in noordelijke richting. De parken zijn open en de dieren kunnen dus migreren. Het is leuk om ook buiten het park giraffen, struisvogels, zebra’s en gnoes (wildebeesten) te zien.

Bij onze lunchpauze krijgen we gezelschap van een paar Masai. Ze hebben een geit met plas-spatlap bij zich. We puzzelen wat over de zin ervan. Want de plas-spatlap houdt weliswaar de achterpoten urinevrij, maar we hebben sterk de indruk dat de voorpoten daarentegen knap nat zullen worden.

De laatste 20 kilometer nemen we een afsteker (oude verbinding) naar de asfaltweg. Het is er prachtig. Mensen zien hier blijkbaar nooit toeristen. Ze zwaaien opgetogen. Als we stoppen bij een groepje vrouwen en kinderen, blijken ze zelfs bang. De kinderen worden meegegraaid en ze rennen weg. Twee moedige meiden durven ons nog net een hand te geven.

 

In Nairobi maken we een afspraak voor een TOY-servicebeurt en wringen we ons in de spits naar de Upper Hill campsite. We genieten van een macaronikliek met een tomaten- en komkommersalade en een fles wijn. Het regent niet en de temperatuur is gematigd. Het gaat warempel een beetje op Nederlands kamperen lijken!

Alleen …. die verdomde jeuk. Ik zit weer helemaal onder de beten! Verdoofd met nerofen slaap ik toch nog in. En Gerard? Uit solidariteit heeft hij tenminste één beet en hij slaapt –als altijd- als een roos.

 

Donderdag/Vrijdag, 14/15 april 2005 – Nairobi Hill-hoppen tussen camping en hotel

 

We gaan voor een nacht naar het FairView Hotel. Dat is toch prettiger als je een dag zonder mobiel huisje bent en we hebben er nog internettijd op ons account. Dat is mooi mee genomen.

Over de garage (Toyota Nairobi) is Gerard niet echt tevreden. Tenminste, dat mag je wel concluderen nadat hij na vele lange uren terug is en briesend zijn verhaal gedaan heeft.

Het is niet helemaal onze dag blijkbaar. Het boeken van de tickets voor de terugvlucht en de gorilla’s stuiten ook op onontkoombare Afrikaanse belemmeringen.

Met ons schoongepoetste Toyotel verhuizen we voor het lekkere campinggevoel nog eens naar de Upper Hill Campsite.

 

Zaterdag, 16 april 2005 – Out of Nairobi en into de RiftValley

 

Via een gasvulstation, enkele technische onderdelenwinkeltjes en de supermarkt gaan we naar het Karen Blixen Museum. In haar huis dompelen we onder in een Out-of-Africa-gevoel. Na de lunch in de Kaffeegarten, in dezelfde nostalgische sfeer, rijden we over een moeilijk te vinden piste in de Riftvalley westwaarts. Het doet ons goed om weer met onze TOY in dit mooie landschap de wereld te exploren.

 

 

Bij een mini-Masai-dorpje wijst een onderwijzer een kortere weg naar Naivasha. Of we precies rijden zoals hij bedoeld heeft, is de vraag. Maar we bereiken in de schemer het asfalt. Nou ja, asfalt! Nog nooit hebben we zo’n slechte weg gezien. We proberen de ene na de andere zware vrachtwagen te passeren. Ze kruipen slingerend over de weg in een wanhopige poging schadevrij hun bestemming te halen. Die vrachtwagens dus en het invallende duister en de plensbuien, die de grote potholes vullen met water, maken dat TOY toch echt gedwongen wordt tot een allerrustigst landrovertempootje.

 

Het is dan ook een uur of acht en pikkedonker als we ons installeren op het Fisherman’s Camp aan het Naivashameer. In het campingrestaurant zijn verschillende Nederlanders. Het zijn de werknemers van de rozenkwekerijen in dit gebied. De faam van deze en andere Nederlandse bloemkwekers was hen reeds vooruitgesneld. Al in Ethiopië hadden we gehoord over de giga-bedrijven in Kenia. Stel je voor: de dagelijks geoogste rozen gaan in grote vrachtwagens naar het vliegveld in Nairobi en worden vandaar met eigen toestellen naar Aalsmeer gevlogen en over de wereld gedistribueerd. Dag in dag uit.

Die nacht slapen we met grazende hippo’s (nijlpaarden) als waakhonden.

 

Zondag, 17 april 2005 – Overlanders onder elkaar

 

Juist als we staan af te wegen of we al dan niet een dag langer op de mooi gelegen camping zullen blijven, komt er een overlandtruck de camping opgereden. Het zijn Walter en Marion uit Duitsland (M.A.N.truck met camperunit). Hun twee honden luisteren naar de welluidende namen: Eros en Whisky. Ze reizen al zo’n acht maanden en hebben nog een jaar of zeven te gaan voor hun wereldreis. Dat wordt dus blijven. De dag gaat voorbij met onder de auto’s liggende en in de motorkap hangende mannen, koffie, borreltje, hapje en vooral veel praten. Maar ook is er genoeg tijd voor luieren in de hangmat en een beetje lezen in de schaduw van de grote bomen.

De avond brengen we door rond het kampvuur en zien we de contouren van de hippo’s achter het schrikdraad. Ook horen we, dat en hoe een toeriste enkele weken geleden op de camping gedood werd door zo’n kolos. Ze was achter de draad en maakte foto’s met flits. En als een hippo zijn ongenoegen uit, doet ie dat nogal rigoureus.

We zijn er nog eens met onze neus opgedrukt: wilde dieren heten niet voor niets "wilde dieren"!

Game is no game (vert.: wild is geen spelletje)!

 

Maandag, 18 april 2005 – Masai Mara National Reserve

 

Na het afscheid van Walter en Marion zoeken we onze weg in zuidelijke richting. De route naar het Masai Mara N.R. gaat om te beginnen over een bergpas van bijna 2900 meter. Het is een gebied met kleine boerenbedrijfjes en overal zijn mensen op de akkers aan het werk. Later trekken we door uitgestrekte savannen en kleine Masai-dorpen. Via Narok bereiken we aan het eind van de middag de toegangspoort van het park. We hebben dan al grote kuddes zebra’s en giraffen en de nodige wildebeesten (gnoes) gezien. En, natuurlijk impala’s, gazellen en ander gehoornd spul.

We rijden van de Sekenanigate via Kerokee naar het zuiden, waar bij de uitgang aan de Tanzaniaanse grens een kampeergelegenheid is. Onderweg zien we tot onze grote verrassing een troep stokstaartjes. Een prachtig gezicht is het om ze waakzaam rond te zien kijken. Het lukt ons maar net een paar foto’s van ze te makenvoordat ze gealarmeerd wegduiken. Het is ook de tijd dat de bavianen en vervetapen gezellig in groepen op pad gaan.

 

Op het Sand River Camp krijgen we een plek toe gewezen. Behalve een paar banda’s (huisjes) die in het hoogseizoen verhuurd worden is er niets campingachtigs te bekennen. Er is geen wc of douche, geen hek en zelfs geen water. Naast de rangers, die hun behuizing een paar honderd meter verderop hebben, is er geen mens te bekennen.

Wij zitten er niet mee. Zo is het alsof we bushcampen en Toyotel heeft alles wat een verwende explorer nodig heeft. Wel kost dit plekkie ons $ 10 p.p.! Wat we voor het geld wel krijgen is, behalve het schitterende uitzicht over de –inderdaad!!—zanderige rivier, een mooi kampvuur. De rangers komen het hoogstpersoonlijk verzorgen. Vuur heeft in deze omgeving vooral de bedoeling de dieren op afstand te houden. En dat lukt.

 

Dinsdag, 19 april 2005 – Vader van Vliet: 85 jaar!

 

Als eerste bellen we de jarige. Heel even zijn Masai Mara en Utrecht via een satelliet verbonden. En dan gaan we op jacht. Bijna onmiddellijk kruist een wrattenzwijn met verwanten ons pad en een olifant, een grote ietwat eenzaam ogende bull.

Maar we zijn vooral op zoek naar de leeuwen! Dus rijden we over de grote grassavannen langs de bosjes in het gebied waar ze zouden moeten zijn. En als we het bijna hebben opgegeven, zien we (de) twee safaribusjes in een richting koersen. En dan weet je, dáár is iets te zien. En jawel hoor, in de schaduw van een bosje ligt een troepje leeuwinnen met jongen lekker lui te wezen. Het is helemaal geweldig om te zien, hoe ongegeneerd enkele dames over een dikke tak in de boom gedrapeerd hangen.

De parkregels schrijven voor, dat je een minuut of tien mag blijven kijken. Maar als de busjes weg zijn, blijven wij veel langer bij de luierende troep. En zij vinden het prima! Papa Leeuw ontbreekt. Die zal vast wel iets heel belangrijks elders te doen hebben…

 

In de westkant van het park schijnen grote groepen olifanten te zitten. Die willen we zien en we nemen de kortste weg er naartoe. Via de Talekgate het park uit en dan via een kleine piste verderop het park weer in. Bij de gate hebben we een gezellige ontmoeting met de rangers, een vrouw en wat kinderen. TOY staat in het middelpunt van de belangstelling.

In het westelijk deel van het park (vlakbij Governor’s Camp) lunchen we midden op een vlakte met om ons heen groepen wijfjesolifanten met veel jongen, wat buffels, wildebeesten en impala’s. We genieten. Op weg naar de (Musiara-) uitgang zien we ook nog een hippo-pool. Daar liggen ze dan, onze dikke nijlpaarden.
Ze dobberen een beetje rond, geeuwen nu en dan ongegeneerd en wachten tot het tijd is om aan land te gaan voor hun nachtelijke graaspartij.

 

 

Buiten het park trekken we door prachtige vlakten en zijn we omringd door heel veel dieren. De piste is hier een soms breed uitwaaierend spoor. Als we een bordje zien met de verwijzing naar een lodge (David Livingstone Safari Resort) rijden we graag de vijf hobbelkilometers voor een nachtplek en misschien wel een aardig restaurant. Dat blijkt geen overspannen verwachting. We kunnen op de parkeerplaats staan en gebruik maken van douche, wc en zwembad. Het is ook hier duidelijk laagseizoen, er zijn slechts een handjevol gasten. Het voltallige personeel heeft en neemt dan ook de tijd om TOY van binnen en buiten te bestuderen. De lodge ligt prachtig in een meander van de Mara-rivier, die barstens vol zit met hippo’s, grote maar ook veel kleintjes.

 

Voor we ons helemaal aan al dit moois kunnen overgeven, moeten we eerst nog afrekenen, letterlijk en figuurlijk, met een slimme Masai-zet. Een paar stammen hebben een heel groot gebied ten noorden van het park gekocht en van de overheid toestemming gekregen om van toeristen geld te vragen. Zeggen ze. Dertig dollar per persoon willen ze hebben. Dat zien wij niet zo zitten. Nergens hebben we een bord of wat dan ook gezien en op geen enkele kaart staat iets. Met de Sibiloi-ervaring in het achterhoofd laten we het maar niet al te hoog oplopen. Ook al voelt het niet goed, we betalen uiteindelijk tien dollar per persoon.

Afijn, alle irritatie over dat gedoe sijpelt weg als we bij het open haardvuur uitkijkend over de Mara-rivier van een Martini genieten. Op de grens van schemer en donker komt de optocht van hongerige hippo’s op gang. Ze klimmen tegen de steile waterkant op en verspreiden zich over de graasweide. De kleintjes blijven achter in de rivier.

We eten met Hannes en Helga uit Wenen. Ze zijn hier met een klein groepje vanuit Mombassa voor een safari van twee dagen. Met een prima diner en een fles wijn vieren we Pa zijn verjaardag in stijl.

Op onze P-plek slapen we lekker in onder begeleiding van de bushgeluiden en nu en dan een luide
hippo-loei.

 

Woensdag, 20 april 2005 – Van de bush naar de thee

 

Na een ijskoude douche, ontbijt en afscheid van Helga en Hannes, zoeken we onze piste weer op. De route gaat door savannen, droge (en soms natte) rivieren, langs kleine Masai-nederzettingen, bouwland en bush. Met regelmaat moeten we uitzoeken waar de piste verder gaat. Dat valt niet altijd mee, als alleen gebarentaal ter beschikking is.

In een droge rivierbedding zorgt een stuurfout(je) ervoor dat de sper goed van pas komt. Het is mooi om te zien hoe de TOY door de gesperde aandrijving van twee wielen de andere twee weer in het goeie spoor zet. Na het dorpje Ngorengore bereiken we al snel het asfalt en zo zoeven we via een mooie kronkelende weg naar Kericha. Dit stadje is het centrum van de theeplantages. Overal zien we uitgestrekte velden met de frisgroene theestruiken.

 

Om een uur of vier staan we op de campsite (een grasveldje) van het in koloniale stijl gebouwde Tea Hotel dat stamt uit 1954. Sindsdien lijkt er aan het gebouw niets meer gedaan of veranderd te zijn.
De gedateerde meubelen, de ooit moderne gordijnen, de inmiddels verkleurde en kromgetrokken schilderijen, de glimmend geboende parketvloer, de wiebelende stoelen … Alles ademt de sfeer van versleten jaren vijftig. Zelfs de obers lijken uit die tijd! De tuinen zijn in Engelse cottagestijl. Biljartgladde grasvelden met borders bloeiende bloemen. Gerard geniet! En als bij het avondeten (vijfgangen-diner voor 5 euro) het geheel ook nog wordt opgeluisterd door live pianomuziek, kan het helemaal niet meer stuk.

 

Donderdag, 21 april 2005 – Van Tea-tuin naar Toy-tuin

 

We nemen de tijd voor wat klusjes voor we vertrekken. Het landschap onderweg naar Kisumu is golvend en groen. De mensen wonen in hutten en golfplaten huisjes.

De Silverline-Toyota-garage, ons aanbevolen door Walter en Marion, vinden we snel. Hier moet alsnog worden gedaan wat in de dure Nairobi-werkplaats werd nagelaten. We worden hartelijk ontvangen en er wordt meteen werk gemaakt van alles wat we willen. Natuurlijk niet voordat iedereen TOY van binnen en van buiten, maar vooral onder de motorkap heeft bekeken. De eigenaar (Sunay) neemt ons mee voor een lunch. Hij is van de derde generatie Indiërs die in Kenia is. Zijn grootvader hoorde bij de mensen die begin vorige eeuw naar hier gehaald werden om aan de beruchte spoorlijn van Mombassa naar Kisumu te werken. Een van de problemen waarmee men kampte, was dat van de mensen-etende leeuwen (the man-eaters). Zijn grootvader heeft een aanval van een leeuw overleefd. Pure heroïek!

Hij haalt ons over om de nacht in Kisumu te blijven. We kunnen in de tuin van zijn (tweede) huis bivakkeren. Hij wil heel graag dat we zijn beste vriend, de Nederlandse Erik en diens vrouw Anja, ontmoeten. Dus genieten we aan het eind van de middag van een borrel en de zonsondergang aan het Victoriameer bij de Jachtclub.

 

 

Later installeren we ons in zijn tuin en spoelen we ons schoon en fris onder een heerlijke douche.

We maken kennis met Erik (I.T.-man) en Anja (tropenarts en bezig met promotieonderzoek op het gebied van de immunologie). Ze wonen hier een jaar of negen en zo te horen blijven ze ook nog wel een poosje.

We eten die avond fantastisch in een restaurant van een Indiaas-Zweeds bevriend stel en we slapen lekker rustig in de achtertuin van de Toyota-garagist.

 

Vrijdag, 22 april 2005 – Mina & Sunay, Jane & Tarzan

 

Mina, Sunay’s vrouw, heeft ons uitgenodigd voor een Indiaas ontbijt. Samen met Sunay, zijn Moeder, een vriend en Mina ervaren we hoe het is om scherpe dingen op een nuchtere maag te eten. Even wennen, dat wel, maar daarna is het best lekker. De kinderen, een zoon van een jaar of 13 en een zoontje van 3, zijn naar school. Aan de muur hangt het portret van het verongelukte dochtertje. En terwijl ze bloemenkransen voor de tempel rijgt, vertelt Oma over het auto-ongeluk. Ze zat ook in de bewuste auto.  

We verlaten Kisumu in noordelijke richting om naar Kitale te gaan. Daar gooien we de tanks vol, want het is de laatste mogelijkheid voor Oeganda, waar de brandstof een stuk duurder is.

Onderweg constateren we weer eens, dat er opvallend veel gefietst wordt in Kenia. De fietsen zijn beladen met alles en nog wat en in de steden en dorpen zijn er de fietstaxi’s met franjes aan het kussen waarop de klant zit. Alleen een versnelling heeft men hier niet. Dat betekent, dat het heuvelop alsnog lopen geblazen is.

 

Bij Endebes, een klein gehucht, vinden we (dankzij de waypoints van Kusafiri) de camping. Het heeft geregend en de rode stofpistes zijn modderige wegen geworden. TOY verandert al snel van een glanzend witte verschijning in een roodbruin monster.

De mensen van de boerderijcamping zijn blij weer eens gasten te hebben. Ze gaan hun maatregelen nemen, zodat we morgenochtend warm kunnen douchen.

Over de route naar Oeganda ten noorden van Mount Elgon hoorden en horen we nogal wat negatieve verhalen. Het moet een zware piste zijn waarvoor je zo’n tien uur nodig hebt. Mooi zo, die uitdaging nemen we graag aan. Om goed voorbereid te zijn plotten waypoints vanaf de digitale Russische kaarten.

Een frisse temperatuur en volop bushgeluiden maken dat we ons bovenin TOY Jane en Tarzan voelen.

 

Zaterdag, 23 april 2005 – De laatste Keniaanse kilometers

 

Achter het douchehuisje staat het houtgestookte keteltje dat het water de afgelopen nacht verwarmd heeft. De hete douche is een goed begin van deze grensoverschrijdende dag.

Ook het ontbijt in de paar kilometer verderop gelegen Mount Elgon Lodge mag er zijn. Dat wil zeggen, het ontbijt moet het vooral van de ambiance hebben. Per slot is dat ook de reden dat we er zijn. Erik (Kisumu) vertelde ons, dat als het Tea Hotel indruk had gemaakt, dit hotel dat ook zou doen. En inderdaad, gebrek aan middelen hebben ervoor gezorgd, dat ook hier alles in de beginfase van het bestaan (jaren twintig) van het hotel is blijven steken. Bovendien is het uitzicht op het dal fantastisch. Aldus gesterkt, gaan wij de laatste Keniaanse kilometers in.

 

De piste is goed en heel duidelijk en we zitten ons maar af te vragen, waar al die indianenverhalen over de onbegaanbaarheid van de route vandaan komen. De kleine veertig kilometer naar de grens door het boerenland en kleine dorpjes gaan vlot en makkelijk.

Eind van de ochtend zijn we in Suam, het grensplaatsje aan de voet van vulkaanberg Elgon. Het gehucht heeft een Keniaans en Oegandees deel en is genoemd naar het riviertje dat de grens vormt tussen de twee landen.

In een klein maar net kantoortje zetelt de immigratiebeambte. Het is zaterdag en een echt drukke grensovergang is dit sowieso niet, dus de man neemt alle tijd voor een praatje en het bestuderen van de stempels. Het ontgaat hem niet dat we op een speciale manier het land zijn binnen gekomen. Op onze kaart laten we hem zien waar Ileret ligt. We leggen hem uit hoe onze inreis en legalisering ervan zijn verlopen. Hij is erg geïnteresseerd en blij iets geleerd te hebben. Onze paspoorten worden netjes gestempeld. Ook de douane-vrouw werkt het carnet vlot af. Over roadtax wordt niet gerept. Volgens onze informant in Kisumu is dat terecht wanneer je met een carnet reist. Bij de grensboom krijgen we van de politievrouw toestemming voor een foto en we rijden op het bruggetje af, waar Kenia eindigt en Oeganda begint.

 

Zo nemen we afscheid van een land, dat zeer gesteld is op dollars en waar onder al die fantastische olifanten, er een hele speciale is: onze Grote Olie!